Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2002-05-08
ECLI:NL:CBB:2002:AE3748
{'name': 'Bestuursrecht', 'resource_id': 'http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht'}
College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 01/254 8 mei 2002 5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellante, tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr M.M.F. Lobles, werkzaam bij verweerder. Op 5 april 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 23 februari 2001. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling). Op 20 juli 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 20 maart 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen hun standpunten hebben toegelicht. Tevens is ter zitting verschenen C, echtgenoot van appellante. 2.1 Bij de Regeling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: (…) e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 181); (…) l. producent: individuele landbouwondernemer in de Europese Gemeenschap, natuurlijke of rechtspersoon of samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen, die op zijn bedrijf voor eigen rekening en risico akkerland met akkerbouwgewassen inzaait met de bedoeling deze gewassen te oogsten; m. bedrijf: geheel van productie-eenheden dat door de producent wordt beheerd en dat zich bevindt op het Nederlands grondgebied; n. akkerland: a. geheel van tot het bedrijf behorende grond (…); Artikel 3 Overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, (…) en deze regeling (…) worden jaarlijks op aanvraag de beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van akkerbouwgewassen (…)." Bij Verordening (EEG) nr. 1765/92 (hierna: de Raadsverordening) is, voor zover in dit geding van belang, het volgende bepaald: " Artikel 2 1. In de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen kunnen onder de in deze titel aangegeven voorwaarden een compensatiebedrag aanvragen. (…) 5. Het compensatiebedrag wordt toegekend in het kader van: a) een "algemene regeling"die voor alle landbouwers geldt, of b) een "vereenvoudigde regeling"die voor kleine producenten geldt. Producenten die het compensatiebedrag aanvragen in het kader van de algemene regeling, verbinden zich ertoe een deel van hun areaal uit produktie te nemen en ontvangen een compensatie voor deze verplichting." Bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 1 (…) 4. Onverminderd de specifieke bepalingen (…) wordt in deze verordening verstaan onder: - "bedrijfshoofd" : individuele landbouwproducent, natuurlijke of rechtspersoon dan wel groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap; - "bedrijf": het geheel van productie-eenheden dat door het bedrijfshoofd wordt beheerd en zich bevindt op het grondgebied van een Lid-Staat; (…) Artikel 6 1. Om in aanmerking te komen voor de toepassing van één of meer communautaire regelingen die onder deze verordening vallen, moet elk bedrijfshoofd voor elk jaar een steunaanvraag "oppervlakten" indienen, waarin worden vermeld: - de percelen landbouwgrond, (…)" Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 2 (…) 2. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te vermijden dat wijzigingen van bestaande bedrijven of het oprichten van nieuwe bedrijven na 30 juni 1992 zouden leiden tot een duidelijk foutief omzeilen van de bepalingen inzake maxima voor het verkrijgen van premies of inzake voorwaarden op het gebied van het uit produktie nemen van grond die zijn vastgesteld in het kader van de regelingen als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3508/92." 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Appellante heeft een op 11 mei 1999 gedagtekend formulier "Aanvraag oppervlakten 1999 Vereenvoudigde regeling en voederareaal" bij verweerder ingediend ter verkrijging van akkerbouwsteun voor een totale oppervlakte van 18.37 hectare. - Bij pachtovereenkomst, opgemaakt op 15 juni 1999 en goedgekeurd door de Grondkamer Noord op 10 juli 2000, heeft appellante van C, voor een periode van twee jaar ingaande 1 mei 1999, 18.51 hectare land gepacht. - Bij besluit van 7 december, verzonden 17 december, 1999 heeft verweerder appellantes aanvraag afgewezen. - Hiertegen heeft appellante bij brief van 27 januari 2000 bezwaar gemaakt. - Op 24 oktober 2000 heeft verweerder appellante ter zake van haar bezwaar doen horen. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit is appellantes bezwaar ongegrond verklaard en hiertoe als volgt overwogen: " De lidstaten dienen maatregelen te treffen om te voorkomen dat door middel van bedrijfssplitsingen of anderszins de in de diverse verordeningen en nationale regelgeving vermelde voorwaarden ontlopen worden. Derhalve dient in het onderhavige geval te worden vastgesteld in hoeverre hier sprake van is. Om als zelfstandig bedrijf te worden beschouwd, dient uw bedrijf door u voor eigen rekening en risico te worden geëxploiteerd. Dit houdt onder meer in dat de bedrijfsvoering en het gebruik en beheer van de produktiemiddelen en bedrijfsgebouwen uitsluitend en alleen bij u liggen. In 1998 behoorde het gehele bedrijf in eigendom toe aan uw man, C. Sinds april 1999 is het bedrijf gesplitst in vier juridische eenheden ten behoeve van u, C en uw zonen, D en E. Voor het verkoopseizoen 1999 hebben D, E en C ingevolge de Vereenvoudigde regeling een akkerbouwsubsidie aangevraagd voor resp. 18,14 ha. snijmaïs, 18,40 ha. snijmaïs en 15,75 ha. snijmaïs. U heeft in 1999 subsidie aangevraagd voor 18,37 ha. snijmaïs. U, D en E hebben een akkerbouwsubsidie aangevraagd voor een oppervlakte die nodig is om 92 ton of meer te produceren. Hiermee is de grens overschreden waarvoor in regio 2 zonder braakverplichting een bijdrage kan worden verstrekt. Een producent is gehouden boven voornoemde maximumoppervlakte een aanvraag in te dienen voor de Algemene regeling, waarbij op grond van artikel 16, eerste lid, van de Regeling een deel van de grond uit productie moet worden genomen (zie ook pagina 6 van de brochure "Aanvraag oppervlakten 1999, Vereenvoudigde regeling en voederareaal"). Tijdens de hoorzitting heeft u desgevraagd meegedeeld dat sinds april 1999 aan de F-weg, vier juridische eenheden zijn gevestigd te weten van u, D, E en C. Op de vraag wat de reden is geweest van de bedrijfssplitsing heeft u geantwoord uw zonen te helpen met het starten als zelfstandige agrariër hetgeen nu uw man met de veeteelt tak is gestopt, goed uitkwam. U heeft een verklaring gebruik akkerland overgelegd waaruit blijkt dat u in 1999 de snijmaïspercelen van uw man in gebruik had. Uw man is eigenaar van deze percelen. Op de vraag wie de werkzaamheden deed van de snijmaïs, die u voor subsidie heeft opgegeven, heeft u geantwoord dat het zaaien, spuiten en hakselen van de maïs door een loonwerker met diens eigen machines gebeurd is. De grondbewerkingen zijn door uw man uitgevoerd. U heeft de nota van de loonwerker betaald. U deelt verder mee dat wanneer de snijmaïs eenmaal is ingezaaid, er verder geen handelingen aan het gewas meer nodig zijn. In geschil tussen partijen is of appellante in aanmerking kan komen voor subsidie als producent van akkerbouwgewassen in de zin van de Regeling en de Raadsverordening. Dit stelt het College, in het licht van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, voor de beantwoording van de vraag of de 18.37 hectare akkerland, die door appellante zijn gepacht en in haar steunaanvraag "oppervlakten" zijn vermeld, door haar als afzonderlijk bedrijf worden beheerd, dan wel deel uit maken van een geheel van productie-eenheden, dat wordt beheerd door haar en haar familieleden C, D en E. Dienaangaande overweegt het College het volgende. Appellante heeft in haar steunaanvraag het zelfde adres opgegeven als haar genoemde familieleden in hun onderscheiden steunaanvragen. De bedoelde 18.37 hectare akkerland maakte tezamen met de percelen akkerland waarvoor genoemde familieleden van appellante in 1999 ieder afzonderlijk een steunaanvraag "oppervlakten" hebben ingediend, in 1998 deel uit van één bedrijf. Niet gebleken is dat appellante zelf, daadwerkelijk en voor eigen rekening landbouwkundige werkzaamheden heeft verricht. De voorafgaande grondbewerkingen zijn gedaan door C, het zaaien, spuiten en hakselen van de maïs door een loonwerker. Evenmin is gebleken dat appellante productiemiddelen zoals machines en gebouwen in eigen beheer heeft (gehad). Dat zij evenals haar zoons machines van C heeft gehuurd, wijst veeleer in een andere richting. In het licht van deze omstandigheden is de feitelijke bedrijfsvoering ten opzichte van het jaar 1998 niet in rechtens relevante mate gewijzigd. De door appellante gestelde administratieve scheiding heeft geen kenbare en reële betekenis voor het praktische beheer van de productie-eenheden van haar en van C. Dat appellante (gedurende twee jaar) gebruiksgerechtigde is van de bedoelde 18.37 hectare akkerland, sluit niet uit dat de exploitatie hiervan in een groter geheel en door (een samenwerkingsverband met) anderen blijft gebeuren en niet als afzonderlijk bedrijf door appellante alleen. Appellantes grief dat het bestreden besluit onverenigbaar is met de toekenning van akkerbouwsteun voor het jaar 2000 heeft feitelijke grondslag verloren, nu verweerder die toekenning heeft ingetrokken en de betaalde akkerbouwsteun heeft teruggevorderd. De conclusie is dat de 18.37 hectare akkerland, vermeld in appellantes steunaanvraag "oppervlakten", niet door haar als afzonderlijk bedrijf worden beheerd, maar deel uit maken van een groter geheel van productie-eenheden. Een zodanig groter geheel van productie-eenheden kan, ingevolge artikel 2, vijfde lid, van Verordening (EEG) nr. 1795/92 slechts voor akkerbouwsteun in aanmerking worden genomen in het kader van de "algemene regeling", die voorschrijft dat de producent zich ertoe verbindt een deel van zijn areaal uit productie te nemen. Nu niet aan die verplichting tot braaklegging is voldaan, was verweerder ingevolge deze bepaling gehouden te beslissen als hij bij het bestreden besluit heeft gedaan. De slotsom is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002. w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas