Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2015-02-16
ECLI:NL:CBB:2015:36
Bestuursrecht
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/173 14913 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2015 in de zaak tussen [naam], te [plaats 1], appellant en de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff Bij besluit van 26 november 2013 (primair besluit) heeft verweerder appellant de last opgelegd dat hij zich dient te onthouden van overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) en dat bij elke geconstateerde overtreding een dwangsom zal worden verbeurd van € 10.000,- met een maximum van € 200.000,-. Bij besluit van 12 februari 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. In dit besluit is verder nog vermeld dat de last een looptijd heeft van twee jaar. Appellant heeft tegen het besluit van 12 februari 2014 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard, te weten voor zover het de hoogte van de maximum te verbeuren dwangsom betreft. Deze is nader vastgesteld op € 40.000,-. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Appellant is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het College - verklaart het beroep ongegrond; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan appellant te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2015. w.g. mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. mr. J.W.E. Pinckaers 1. Het beroep tegen het besluit van 12 februari 2014 wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 oktober 2014. Ter beoordeling door het College ligt daarom voor het besluit van 12 februari 2014 als gewijzigd bij besluit van 3 oktober 2014. 2. Het College neemt de volgende feiten als vaststaand aan. 2.1. Op 2 november 2013 van 4.00 uur tot 4.50 uur hebben twee geüniformeerde ambtenaren van de politie Gelderland-Zuid (verbalisanten) appellant, die met een auto rondjes aan het rijden was in het centrum van [plaats 2], geobserveerd en gevolgd met hun dienstauto. Zij verdachten hem ervan dat hij als zogenoemde snorder illegaal taxivervoer wilde verrichten. Toen de verbalisanten zagen dat appellant passagiers in zijn auto liet instappen, hebben zij hem aangehouden en verhoord in verband met het verrichten van taxivervoer zonder de daarvoor vereiste vergunning. 2.2. In de door politieambtenaren (verbalisanten) op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van bevindingen is onder meer het volgende vermeld: de verbalisanten zagen dat appellant in een auto met brandende lichten geparkeerd stond in een parkeervak aan de [adres 1] te [plaats 2] appellant seinde met zijn koplampen naar een groep van zes mensen die vervolgens naar de auto van appellant liepen één persoon uit die groep opende het bijrijdersportier en ging in gesprek met appellant na ongeveer één minuut stapte de hele groep in de auto van appellant appellant reed vervolgens weg en ging via het [adres 2] naar de [adres 3] de verbalisanten hebben appellant vervolgens een stopteken gegeven een verbalisant heeft met appellant gesproken, die zei dat hij de personen een lift gaf een andere verbalisant heeft toen met de passagiers gesproken, waarvan er meerderen na enig aarzelen verklaarden dat zij gebruik maakten van een illegale taxi; dat zij met appellant de afspraak hadden gemaakt dat hij hen naar de plaats [plaats 3] zou brengen voor € 30,-; dat zij dit bedrag nog niet aan hem hadden voldaan maar dit wel zouden gaan doen bij aankomst in [plaats 3]; dat zij het wel makkelijk vonden zo’n illegale taxi en dat deze goedkoper was dan een gewone taxi. 2.3. Naar aanleiding van de onder 2.1. en 2.2. vermelde bevindingen en de overige beschikbare gegevens, waaronder processen-verbaal van verhoor van twee als getuigen gehoorde passagiers, heeft verweerder de thans in geding zijnde last onder dwangsom opgelegd. 2.4. Appellant is voor de thans in geding zijnde overtreding strafrechtelijk veroordeeld door de economische politierechter (strafrechter) die hem bij vonnis van 18 november 2014 een geldboete heeft opgelegd. Appellant heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. 3. Appellant betwist in beroep dat hij de gestelde overtreding heeft begaan. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij zich niet adequaat tegen het bestreden besluit heeft kunnen verweren omdat hem meermalen incomplete processen-verbaal zijn toegestuurd. Volgens appellant kan de hem verweten overtreding niet worden aangetoond met de bevindingen van de politie als neergelegd in de processen-verbaal. Verweerder heeft zich daar ten onrechte zonder nader onderzoek op gebaseerd. Deze bevindingen zijn volgens appellant niet betrouwbaar. De door appellant vervoerde passagiers (de groep) waren lifters. Appellant heeft geen betaling gevraagd of ontvangen. Volgens appellant hebben deze lifters zomaar iets gezegd toen de politie hen in het vooruitzicht stelde dat ze snel naar huis mochten. Appellant heeft voor de thans in geding zijnde overtreding een strafbeschikking ontvangen die door de strafrechter is vernietigd. De strafrechter heeft hem in dat kader een lagere geldboete opgelegd. Tegen dat vonnis is door appellant hoger beroep ingesteld. Zolang daarop niet is beslist vindt het standpunt van verweerder geen steun in een oordeel van de strafrechter. Volgens appellant is de last onder dwangsom ten onrechte opgelegd omdat geen gevaar voor herhaling van de overtreding bestaat. Appellant staat niet bekend als snorder en is, anders dan in het politiesysteem is vermeld, daar niet eerder van verdacht. Verder staat de hoogte van de te verbeuren dwangsom(men) niet in redelijke verhouding tot het financiële voordeel dat appellant zou kunnen behalen met het vermeende taxivervoer. 4. Het College overweegt als volgt. 4.1. Het College stelt voorop dat appellant voorafgaand aan de zitting over alle op de zaak betrekking hebbende gedingstukken heeft kunnen beschikken waarover verweerder beschikt, zij het dat een aantal van die stukken hem door verweerder laat zijn toegezonden. Nu ter zitting van het College is gebleken dat in de gedingstukken abusievelijk ook melding wordt gemaakt van twee processen-verbaal van 31 maart 2013 die bij de stukken zouden zijn gevoegd maar die zich niet in het dossier bevinden, heeft appellant terecht in de veronderstelling verkeerd dat hij niet over alle stukken beschikte. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de vermelding van deze processen-verbaal op een fout berust. Het College acht het gelet op de datering van die stukken aannemelijk dat, zoals verweerder heeft aangevoerd, deze processen-verbaal betrekking hebben op een ander feitencomplex dan thans aan de orde. Het College stelt verder vast dat verweerder deze stukken niet aan de bestreden besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Gelet hierop is appellant, ondanks deze ongewenste gang van zaken, naar het oordeel van het College door het ontbreken van die stukken niet in zijn belangen geschaad. Het College volgt appellant evenmin in zijn stelling dat hij in zijn verdedigingspositie is geschaad omdat hij niet kan beschikken over de originele aantekeningen van verbalisanten van het verhoor van de twee getuigen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij niet over deze brongegevens uit het politiedossier beschikt. Verweerder heeft deze aantekening zelf ook niet. De processen-verbaal van deze verhoren bevinden zich wel in het dossier en appellant heeft deze ook in zijn bezit. 4.2. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wp2000 is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door verweerder verleende vergunning (verbod). Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Wp2000 wordt met het verrichten van taxivervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer. Verweerder is bevoegd een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van dit verbod. Verweerder hanteerde ten tijde van het primaire besluit het beleid neergelegd in de Beleidsregels last onder dwangsom personenvervoer over de weg (Stcr. 27 december 2005, nr. 251, p. 42, hierna: Beleidsregels), waarbij in artikel 1, eerste lid is bepaald dat een last onder dwangsom wordt opgelegd na constatering van een overtreding van een in de bijlage bij die beleidsregels genoemde bepalingen van de Wet personenvervoer 2000. In de bijlage bij artikel 1 van die Beleidsregels is bepaald, onder meer, dat bij een overtreding bestaande uit het verrichten van taxivervoer zonder een daartoe verleende vergunning, de hoogte van de dwangsom per overtreding €10.000,- bedraagt en de maximumhoogte van de verbeurde dwangsombedragen € 200.000,-. 4.3. Bij uitspraak van het College van 20 maart 2014, ECLI:NL:CBB:2014:104, heeft het College in een vergelijkbaar geschil geoordeeld dat het opleggen van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding niet in onredelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.