ECLI:NL:CRVB:2003:AF6274
00/1075 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is door mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 januari 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn nog enige nadere stukken in het geding gebracht.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 23 februari 1981 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet welke uitkering nadien is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Tot 14 maart 1996 heeft [naam kostganger] (hierna:[kostganger]) enige tijd als kostganger bij appellante ingewoond. Na onderzoek door de sociale recherche is de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 juli 1997 beëindigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [kostganger]. Na gemaakt bezwaar is deze beëindiging weer met ingang van diezelfde datum ongedaan gemaakt. Naar aanleiding van nieuwe onderzoeksbevindingen van de sociale recherche is de betaling van de uitkering van appellante met ingang van 7 april 1998 opgeschort en is de uitkering voorts bij besluit van 11 juni 1998 per 7 april 1998 beëindigd wederom op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [kostganger]. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 14 september 1998 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder overweging dat gedaagde niet heeft kunnen bewijzen dat er ten tijde hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [kostganger], het ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 september 1998 vernietigd, beslissingen gegeven inzake griffierecht en proceskosten en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
"(…) dat het ontbreken van voldoende bewijs voor een gezamenlijke huishouding geenszins met zich brengt dat het bestaan daarvan respectievelijk het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie daaromtrent zou moeten worden uitgesloten. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [kostganger] praktisch dagelijks in eiseresses woning aanwezig was, die woning regelmatig 's morgens om ongeveer 7.00 uur verliet, in het bezit was van een sleutel van die woning, van daaruit zijn dakdekkersbedrijf exploiteerde, eiseres een (gebruikte) auto heeft gegeven, eiseresses dochter in staat stelde aan paardrij-sport deel te nemen, eiseresses telefoonrekening betaalde, zijn post liet bezorgen op eiseresses adres en weigert mee te delen waar hij volgens hemzelf zijn woonplaats zou hebben. Als beweerde bijstandsgerechtigde dient eiseres voor deze feiten een bevredigende verklaring te geven. Daarvan is in het geheel geen sprake. De rechtbank volstaat hier met de constatering dat het absurd is noemen dat eiseres - die niet betwist dat zij en [kostganger] al jarenlang goede vrienden zijn - niet zou weten waar laatstgenoemde woont.
Gezien het vorenstaande moet dan ook worden gezegd dat eiseres de krachtens artikel 65, lid 1, van de Algemene bijstandswet op haar rustende informatieplicht heeft geschonden, waardoor haar recht op bijstand op en na 7 april 1998 niet was vast te stellen.".
In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd gekeerd tegen de uitspraak van de rechtbank voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 14 september 1998 in stand zijn gelaten.
De Raad overweegt het volgende.
Aangezien volgens de rechtbank de ter beschikking staande gegevens geen toereikende basis bieden om aan te nemen dat appellante en [kostganger] ten tijde in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zij blijk gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins, de rechtbank het beroep om die reden gegrond heeft verklaard en gedaagde tegen dat rechtsoordeel niet in hoger beroep is gekomen, moet het er in dit geding voor worden gehouden dat appellante en [kostganger] ten tijde hier van belang geen gezamenlijke huishouding voerden.
Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat appellante vervolgens in het kader van de inlichtingenplicht niet kan worden tegengeworpen dat zij ten aanzien van diezelfde gegevens, die kennelijk onvoldoende basis boden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding, geen bevredigende verklaring heeft kunnen geven en dat niet enkel op die grond kan worden geconcludeerd dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenplicht het recht op uitkering van appellante op en na 7 april 1998 niet is vast te stellen.
De Raad wijst er in dat verband op dat de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenplicht niet verder strekt dan tot datgene wat van belang is voor de verlening van bijstand of voortzetting van verleende bijstand. In gevallen als het onderhavige betekent dit dat de door de rechtbank aangehaalde grond slechts als juist kan worden aanvaard indien gezegd zou moeten worden dat de betrokkene heeft nagelaten van een voor de voortzetting van de verleende bijstand van belang zijnde wijziging in de woon- en leefsituatie aan het bijstandverlenend orgaan mededeling te doen en dat als gevolg van het nalaten daarvan het voortduren van het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat in het geval van appellante aan beide genoemde voorwaarden niet is voldaan.
De Raad merkt hierbij nog op dat niet kan worden aanvaard dat het verwijt aan een bijstandsverzoeker of -ontvanger dat hij onvoldoende inlichtingen omtrent zijn woon- en leefsituatie heeft verstrekt uitsluitend zou worden gegrond op het bij het bijstandverlenend orgaan ontbreken van voldoende gegevens om bij hem gerezen twijfel omtrent het karakter van een woon- en leefsituatie weg te nemen.
Daarenboven valt niet in te zien op welke grond appellante, nu zij immers aanspraak kan maken op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, voor de toepassing van de Abw gehouden zou zijn aan gedaagde nadere informatie te verstrekken over de woonplaats van [kostganger].
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad acht het tevens aangewezen onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de primaire besluiten tot opschorting en beëindiging van de bijstand van respectievelijk 7 april 1998 en 11 juni 1998 te vernietigen.
Ten aanzien van de door appellante ingevolge artikel 8:73 van de Awb verzochte schadevergoeding overweegt de Raad het volgende.
De Raad stelt vast dat met de thans gedane uitspraak is gegeven dat appellante als gevolg van de onrechtmatig gebleken besluiten van 7 april 1998, 11 juni 1998 en 14 september 1998 schade heeft geleden, bestaande uit vertraagde uitbetaling van haar uitkering.
Aangezien niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, rust op gedaagdes gemeente de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 73, eerste lid, van de Abw betalen burgemeester en wethouders de algemene bijstand maandelijks achteraf. Daarmee is de dag van betaling niet concreet aangeduid. Nu er geen algemeen verbindende voorschriften gelden met betrekking tot de dag waarop de uitkering aan appellante had moeten zijn betaald, neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt dat in geval van beëindiging van een Abw-uitkering het juiste bedrag aan uitkering had moeten zijn uitgekeerd uiterlijk op de laatste dag van de maand waarin de datum is gelegen met ingang waarvan de uitkering ten onrechte is beëindigd. In het onderhavige geval is de uitkering beëindigd per 7 april 1998. De eerste dag waarop over de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering over de maand april 1998 wettelijke rente is verschuldigd, moet derhalve worden gesteld op 1 mei 1998, en wel tot aan de dag der algehele voldoening.