Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2005-04-29
ECLI:NL:CRVB:2005:AT4947
Bestuursrecht
03/4313 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellant heeft mr. E.S.L. Bos-Veterman, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 juli 2003, nr. SBR 02/1958, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. II. MOTIVERING Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. In hoger beroep is tussen partijen in geschil of gedaagde terecht aan appellant met ingang van het eerste kwartaal van 1997 kinderbijslag voor [naam kind] heeft geweigerd, op de grond dat hij niet, op voor gedaagde eenvoudig te controleren wijze, heeft aangetoond dat hij voor [naam kind] de in dat kwartaal voorgeschreven onderhoudsbijdrage heeft geleverd. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam kind], die in Marokko bij haar moeder verblijft, niet tot het huishouden behoort van appellant. Met gedaagde en de rechtbank, die het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard, is de Raad van oordeel dat appellant niet heeft aangetoond dat de vereiste bijdrage voor genoemd kwartaal door hem, op eenvoudig te controleren wijze, is geleverd. De Raad overweegt daartoe als volgt. Aan de door de vader van appellant aan het loket van de SVB afgelegde verklaring inhoudende dat hij twee maal - zowel in 1997 als in 1998 - f 2000,- ten behoeve van het onderhoud van [naam kind] heeft meegenomen naar Marokko, komt naar vaste jurisprudentie van de Raad in een geding als het onderhavige geen betekenis toe. Ten aanzien van de door appellant beweerdelijk gedane contante betalingen overweegt de Raad dat volgens zijn vaste jurisprudentie overhandiging van contant geld niet een wijze van betaling is die voldoet aan het bovenvermeld criterium van controleerbaarheid, zodat hetgeen langs deze weg zou zijn betaald terecht buiten beschouwing is gelaten. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat appellant niet heeft aangetoond dat hij [naam kind] in het in geding zijnde kwartaal in belangrijke mate heeft onderhouden. Het hoger beroep is dan ook tevergeefs ingesteld. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom moet als volgt worden beslist. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005. (get.) T.L. de Vries. (get.) M. Gunter.