Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2007-05-22
ECLI:NL:CRVB:2007:BA6428
Bestuursrecht
06/1707 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de erven van [betrokkene] (hierna: appellanten), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 februari 2006, 05/750 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, als rechtsopvolgster van het Regionaal Indicatie Orgaan Fryslân, gevestigd te Zeist (hierna: CIZ) Datum uitspraak: 22 mei 2007 I. PROCESVERLOOP Namens [betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft zijn zoon [naam zoon] hoger beroep ingesteld. CIZ heeft een verweerschrift ingediend. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Betrokkene is op 6 september 2006 overleden. Appellanten hebben de procedure voortgezet. Betrokkene, geboren [in] 1916, woonde laatstelijk, samen met [naam zoon], in een boerderij. In de boerderij is tevens een melkveehouderij gevestigd. [naam zoon] is daarin voltijds werkzaam als melkveehouder. Betrokkene ondervond ten tijde in geding tengevolge van zijn gezondheidssituatie beperkingen op het gebied van de verzorging. Betrokkene heeft op 25 maart 2004 een aanvraag ingediend om een (her)indicatie voor zorg in de vorm van verzorging, verpleging en huishoudelijke verzorging. Betrokkene is bij besluit van 19 april 2004 per 19 april 2004 geïndiceerd voor: - verpleging klasse 0 = 0 tot 0,9 uur per week; - persoonlijke verzorging klasse 3 = 4 tot 6,9 uur per week; - huishoudelijke verzorging klasse 2 = 2 tot 3,9 uur per week. Voor zover het verpleging en persoonlijke verzorging betreft geldt deze indicatie tot 19 april 2009. Voor zover het huishoudelijke verzorging betreft geldt de indicatie tot 19 juli 2004. Op grond van het Protocol “Gebruikelijke Zorg door huisgenoten” (hierna: Protocol) komt betrokkene niet langer in aanmerking voor huishoudelijke hulp ten laste van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Betrokkene heeft drie maanden de tijd gekregen om aan de nieuwe situatie te wennen. Betrokkene heeft bij brief van 15 mei 2004 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 april 2004. Bij besluit van 10 juni 2004 is betrokkene voor de periode van 19 juli 2004 tot 19 september 2004 geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging. Betrokkene heeft tegen het besluit van 10 juni 2004 bij brief van 14 juli 2004 bezwaar gemaakt. CIZ heeft de bezwaren tegen de besluiten van 19 april 2004 en 10 juni 2004 in de beslissing op bezwaar van 27 april 2005 ongegrond verklaard. CIZ stelt zich op het standpunt dat de leefeenheid van de zorgaanvrager ingevolge het Protocol primair verantwoordelijk is voor het eigen functioneren. Daarbij geldt dat het verrichten van huishoudelijke taken voor de tot de leefeenheid behorende volwassen huisgenoten een verplichtend karakter heeft. Van overname van taken door externe hulpverleners kan eerst sprake zijn, wanneer de verhouding tussen draaglast en draagkracht zodanig is dat overbelasting dreigt. Van een dergelijke situatie is geen sprake, aangezien [naam zoon] een gezonde volwassen huisgenoot is, van wie verwacht mag worden dat hij de huishoudelijke taken van betrokkene overneemt. Betrokkene heeft tegen het besluit van 27 april 2005 beroep ingesteld. Aangevoerd is dat er onvoldoende financiële middelen zijn om zelf huishoudelijke hulp te kunnen inhuren. [naam zoon] kan geen huishoudelijke taken overnemen omdat hij zelf gezondheidsklachten heeft ten gevolge van zijn drukke werkzaamheden als melkveehouder. Diens fysieke en geestelijke draagkracht is daardoor onder druk komen te staan. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 april 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat in het Protocol het uitgangspunt is neergelegd dat de leefeenheid van de zorgaanvrager primair verantwoordelijk is voor het functioneren van het huishouden. Dit betekent dat van de leefeenheid wordt verwacht dat bij uitval van één van de leden wordt gestreefd naar een herverdeling van huishoudelijke taken. Van gezonde volwassen huisgenoten, al dan niet met fulltime werk of opleiding, wordt verlangd dat zij alle huishoudelijke taken van de zorgaanvrager overnemen. De rechtbank heeft dit uitgangspunt niet kennelijk onredelijk geacht. In het Protocol is verder aangegeven dat de indicatiesteller altijd dient te onderzoeken of er in een individuele situatie van het uitgangspunt moet worden afgeweken. Overbelasting van degene van wie verwacht wordt dat hij taken overneemt, is een reden om van het uitgangspunt af te wijken. In een bijlage bij het Protocol is aangegeven op welke wijze de indicatiesteller moet onderzoeken of aanleiding bestaat om af te wijken van het beleid. In de bijlage is een aantal factoren opgesomd die van invloed kunnen zijn op de draagkracht en de draaglast van de persoon van wie verwacht wordt dat hij huishoudelijke taken overneemt. De rechtbank heeft op grond van het indicatieverslag van M. Keylard vastgesteld dat gesproken is met betrokkene en zijn zoon en dat de zoon daarbij heeft gezegd dat hij naast zijn werk op de boerderij weliswaar weinig tijd heeft voor huishoudelijke werkzaamheden, maar dat hij niet overbelast is en dat hij geen klachten heeft waardoor hij de huishoudelijke werkzaamheden niet zou kunnen doen. CIZ heeft om die reden mogen aannemen dat van een dreigende overbelasting als bedoeld in de bijlage bij het Protocol geen sprake was, zodat er geen reden was om af te wijken van het uitgangspunt. Dat de gezondheid van [naam zoon] sedert april 2005 is verslechterd, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid, nu die verslechtering dateert van na het besluit van 27 april 2005. Betrokkene heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat betrokkene in het indicatiegesprek een te positief beeld heeft geschetst van de feitelijke situatie. CIZ had daar als professionele organisatie doorheen moeten kijken. CIZ heeft zich in hoger beroep achter het oordeel van de rechtbank geschaard. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen. Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in de artikelen 3 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: Besluit). Artikel 3 van het Besluit bepaalt: “Huishoudelijke verzorging omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort, te verlenen door een instelling.” Bij de beantwoording van de vraag voor welke zorg de belanghebbende dient te worden geïndiceerd, hanteert CIZ het Werkdocument Gebruikelijke Zorg van oktober 2003 van de Landelijke Vereniging van Indicatie Organen. De Raad begrijpt het in dit werkdocument, door CIZ Protocol genoemd, neergelegde beleid aldus dat ervan wordt uitgegaan dat de leefeenheid van de zorgaanvrager zelf verantwoordelijk is voor het verrichten van de huishoudelijke taken. Indien de zorgaanvrager bij het verrichten van die taken geheel of gedeeltelijk uitvalt, wordt van gezonde volwassen huisgenoten verwacht dat zij die taken overnemen; ook dan wanneer die huisgenoten voltijds werken of studeren. Wel dient, ingevolge bijlage 3 van het werkdocument, de indicatiesteller altijd te onderzoeken of er in individuele situaties moet worden afgeweken van de algemene regels.