Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2008-03-20
ECLI:NL:CRVB:2008:BC8432
Bestuursrecht
07/4659 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 juni 2007, 07/780 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar (hierna: college) Datum uitspraak: 20 maart 2008. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 06/5483 AW en 06/5492 AW, plaatsgevonden op 14 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en drs. A.W.G.J. van Kessel en S.J.W.M. in ’t Hout, beiden werkzaam bij de gemeente Zevenaar. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige], wonende te Zevenaar. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Bij besluit van 16 december 2003 heeft het college, na een negatieve beoordeling, aan appellant met ingang van 1 april 2004 wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken ontslag verleend uit zijn functie van [naam functie] Informatisering en Automatisering bij de stafafdeling Personeel en Organisatie van de gemeente Zevenaar. Bij besluit van 23 juli 2004 heeft het college, onder wijziging van de ontslagdatum in 1 april 2005, de bezwaren van appellant tegen dit ontslag en het niet toekennen van een aansluitende uitkering ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 april 2005 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het besluit van 23 juli 2004 vernietigd. Deze uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 11 mei 2006 vernietigd, waarbij de Raad tevens het beroep tegen het besluit van 23 juli 2004 ongegrond heeft verklaard. 1.2. Bij brief van 13 juni 2006 heeft appellant aan het college verzocht aan hem op grond van artikel 8:6, derde lid, van de Zevenaarse Arbeidsvoorwaardenregeling (hierna: ZAR) ter zake van zijn ontslag een aansluitende uitkering toe te kennen als bedoeld in hoofdstuk 10a van de ZAR. Bij besluit van 22 juni 2006 heeft het college dit verzoek onder verwijzing naar het besluit van 23 juli 2004 afgewezen. 1.3. Bij brief van 12 juli 2006 heeft appellant het college aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden inkomensschade, gemaakte kosten voor rechtsbijstand en immateriële schade als gevolg van het hem verleende ontslag. Het college heeft dit verzoek om erkenning van aansprakelijkheid en vergoeding van schade bij besluit van 31 juli 2006 afgewezen. 1.4. Bij het bestreden besluit van 11 januari 2007 heeft het college de bezwaarschriften van appellant, gericht tegen de besluiten van 22 juni 2006 en van 31 juli 2006, ongegrond verklaard en beide besluiten gehandhaafd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zodat het college bevoegd was het verzoek om toekenning van een aansluitende uitkering af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 23 juli 2004. Met betrekking tot de aansprakelijkstelling heeft de rechtbank geoordeeld dat het college deze op goede gronden heeft kunnen afwijzen, aangezien het ontslagbesluit van 23 juli 2004 in rechte is komen vast te staan waaruit volgt dat er ten aanzien van het ontslag geen sprake is van onrechtmatig handelen van het college. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 3.1. De weigering van de aansluitende uitkering 3.1.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. 3.1.2. Door appellant is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake was van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Hij voert hiertoe aan dat de Raad in zijn uitspraak van 11 mei 2006 niet is ingegaan op de weigering een aansluitende uitkering toe te kennen. Ook doet appellant in dit verband een beroep op de uitspraak van de Raad van 3 januari 2008, 06/2669 AW, LJN BC1742, waarin is beslist dat, indien een ontslagbesluit geen enkele expliciete mededeling of beslissing ter zake van aanspraken op een aansluitende uitkering bevat, er niet gesproken kan worden van een besluit inzake een aanvullende uitkering. Daarnaast is appellant van oordeel dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. 3.1.3. Appellant heeft zowel in zijn bezwaarschrift van 23 februari 2004, aangevuld bij brief van 11 april 2004, alsmede in het daarop gevolgde beroep bij de rechtbank, de kwestie van zijn aanspraak op een aansluitende uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de ZAR naar voren gebracht in de vorm van een grief tegen het hem verleende ontslag. Zo heeft appellant tegen het ontslag, onder meer, aangevoerd dat daarbij het beginsel van een behoorlijke belangenafweging was geschonden. Gelet op de gevolgen van het ontslag en de omstandigheden waaronder dit was verleend had, aldus appellant, op grond van dat beginsel het ontslag niet mogen worden gegeven zonder daaraan een adequate uitkering, in dit geval de aansluitende uitkering, te verbinden. 3.1.4. De Raad overweegt dat hij in zijn uitspraak van 11 mei 2006 het beroep tegen het ontslagbesluit ongegrond heeft verklaard. Daarmee heeft de Raad alle door appellant in de procedure tegen het ontslag aangevoerde grieven verworpen. Het besluit van het college om aan appellant ontslag te verlenen zonder daaraan enige bijzondere aanspraak op een aansluitende uitkering te verbinden, is daarmee in rechte onaantastbaar geworden. 3.1.5. Het beroep dat appellant heeft gedaan op de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 3 januari 2008 slaagt niet. Appellant ziet eraan voorbij dat, anders dan in het geval waarop die uitspraak betrekking had, in zijn geval onmiskenbaar sprake is geweest van een besluit om geen aansluitende uitkering toe te kennen. Weliswaar is dit niet opgenomen in het ontslagbesluit van 16 december 2003, maar naar aanleiding van het door appellant tegen het ontslagbesluit ingediende bezwaarschrift, is bij beslissing op bezwaar van 23 juli 2004 aan appellant - mede - expliciet de aanspraak op een aansluitende uitkering ontzegd. Door appellant is ook tegen dit onderdeel van dit besluit beroep ingesteld, welk beroep uiteindelijk door de Raad bij zijn uitspraak van 11 mei 2006 ongegrond is verklaard, waarmee dat besluit ook voor wat betreft de weigering een aansluitende uitkering te verlenen onherroepelijk is geworden. 3.1.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat, zoals de rechtbank ook heeft aanvaard, het college het verzoek van appellant van 13 juni 2006 op goede gronden heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. 3.1.7. Evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat door appellant aan zijn herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.