Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2008-05-14
ECLI:NL:CRVB:2008:BD3529
Bestuursrecht
06/3675 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer UITSPRAAK op het hoger beroep van: de erven van [naam betrokkene], te [woonplaats], (hierna: appellanten) tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 mei 2006, 05/3812 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen appellanten en IZA Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Nieuwegein, (hierna: IZA) Datum uitspraak: 14 mei 2008 I. PROCESVERLOOP IZA is de rechtsopvolger van het Instituut Zorgverzekeringen voor Ambtenaren Nederland. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over IZA dient daaronder tevens dit instituut te worden verstaan. Namens appellanten heeft mr. J.H. van Meurs, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. IZA heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden. II. OVERWEGINGEN 1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.2. Wijlen [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) is van 24 juli 2003 tot 29 oktober 2004 opgenomen geweest in verpleeghuis [K.], een AWBZ-instelling die geëxploiteerd wordt door de Stichting Zorgkring Westland. Betrokkene is op 29 oktober 2004 overleden. 1.3. Namens IZA heeft het Zorgkantoor appellanten bij brief van 12 april 2005 in kennis gesteld van het besluit om de - lage - eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor het verblijf van betrokkene in [K.] met ingang van 24 juli 2003 definitief vast te stellen op € 221,50 per maand. 1.4. Namens IZA heeft het Zorgkantoor appellanten bij brief van 13 april 2005 in kennis gesteld van het besluit om de - lage- eigen bijdrage voor het verblijf van betrokkene in [K.] met ingang van 1 januari 2004 definitief vast te stellen op € 231,50 per maand en de - hoge - eigen bijdrage met ingang van 24 januari 2004 op € 1.505,51 per maand. Dit betekent dat appellanten aan eigen bijdrage nog een bedrag van € 10.054,28 verschuldigd zijn. 2.1. Namens appellanten heeft mr. Van Meurs bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 april 2005. Aangevoerd is onder meer dat de eigen bijdrage met terugwerkende kracht is vastgesteld waardoor de rechtszekerheid geschonden is. De vaststelling heeft plaatsgevonden op een moment dat de nalatenschap reeds was afgewikkeld. Appellanten hebben er in redelijkheid geen rekening mee kunnen houden dat nog een navordering zou volgen. 2.2. IZA heeft het bezwaar bij besluit van 7 november 2005 ongegrond verklaard. Overwogen is dat aan betrokkene bij besluit van 12 december 2003 een voorlopige lage eigen bijdrage is opgelegd en bij besluit van 4 januari 2004 een voorlopige hoge eigen bijdrage. Appellanten hadden er mitsdien van op de hoogte kunnen zijn dat nog geen definitieve eigen bijdrage was vastgesteld en dat er mogelijk nog een navordering zou volgen. 3.1. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 7 november 2005. Daarbij is onder meer aangevoerd dat in de gegeven omstandigheden sprake is van strijd met het ongeschreven recht indien de eigen bijdrage met terugwerkende kracht mag worden opgelegd. Het Zorgkantoor heeft ten onrechte verzuimd appellanten in kennis te stellen van het gegeven dat nog rekening moest worden gehouden met de definitieve vaststelling van een eigen bijdrage. Appellanten hoefden er daarom niet op bedacht te zijn dat zij na de vereffening van de nalatenschap nog geconfronteerd zouden worden met een navordering. 3.2. De rechtbank heeft IZA bij brief van 22 maart 2006 verzocht om de besluiten van 12 december 2006 en 4 januari 2004 te overleggen. IZA heeft bij brief van 22 maart 2006 bericht niet over die stukken te beschikken. 3.3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat een eigen bijdrage verschuldigd was voor het verblijf in [K.] en voorts dat de berekening van de hoogte van die bijdrage niet is aangevochten. Met betrekking tot het beroep op het ongeschreven recht heeft zij overwogen dat het begrijpelijk is dat het voor appellanten belastend is dat het Zorgkantoor de eigen bijdrage pas na ruim een jaar heeft vastgesteld, maar dat dit in de omstandigheden van het geval niet zodanig belastend is, dat het bepaalde in Bijdragebesluit zorg geen rechtsplicht meer kan zijn. De omstandigheid dat het Zorgkantoor niet aan appellanten heeft gemeld dat nog een definitieve vaststelling van de eigen bijdrage moest volgen, maakt dit volgens haar niet anders. De rechtbank heeft verder overwogen dat voor het geoorloofd zijn van het met terugwerkende kracht opleggen van een definitieve eigen bijdrage onder meer van belang kan zijn of degene die de bijdrage verschuldigd is, op de hoogte kon zijn van de omstandigheid dat nog een definitieve vaststelling zou volgen. Zij heeft geoordeeld dat dit bij betrokkene het geval was, nu IZA heeft gesteld dat in de besluiten van 12 december 2003 en 4 januari 2004 is overwogen dat de daarin genoemde eigen bijdragen voorlopig waren vastgesteld. Voorts heeft IZA gesteld dat aan iedere persoon die wordt opgenomen in een verpleeghuis een brief wordt gestuurd, waarin wordt meegedeeld dat een voorlopige eigen bijdrage wordt vastgesteld, die gebaseerd is op een inkomen ter hoogte van het minimumloon, omdat het enige tijd kan duren voordat de benodigde gegevens van de Belastingdienst worden ontvangen. Na ontvangst van die gegevens wordt de definitieve eigen bijdrage vastgesteld en volgt eventueel een navordering. Omdat appellanten niet hebben betwist dat betrokkene de besluiten van 12 december 2003 en 4 januari 2004 heeft ontvangen, kon betrokkene weten dat nog een definitieve vaststelling zou volgen. Deze wetenschap dient aan appellanten, als rechtsopvolgers onder algemene titel van betrokkene, te worden toegerekend. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat bij appellanten geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat geen definitieve vaststelling van de eigen bijdrage meer zou volgen. 4.1. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is onder meer dat zij niet wisten en ook niet konden weten dat nog een definitieve vaststelling van de eigen bijdrage zou volgen. Ter zitting van de Raad is verduidelijkt dat de besluiten van 12 december 2003 en 4 januari 2004 niet in de administratie van betrokkene zijn aangetroffen. 4.2. IZA heeft in hoger beroep gepersisteerd bij het in het bestreden besluit neergelegde standpunt. IZA heeft desgevraagd brieven van 12 december 2003 en 4 januari 2004 ingezonden. 5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het verblijf van betrokkene in [K.] op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ een eigen bijdrage verschuldigd was. Evenmin is in geschil de hoogte van het bijdrageplichtige inkomen waarvan bij de vaststelling van die bijdrage is uitgegaan. In geschil is wel of het met terugwerkende kracht vaststellen van de - als definitief gepresenteerde - eigen bijdrage rechtens geoorloofd is. 5.3. Artikel 6, derde lid, van de AWBZ bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor het verkrijgen van een verstrekking als voorwaarde kan worden gesteld dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. Dit artikellid is uitgevoerd door middel van vaststelling van het Bijdragebesluit zorg. Artikel 2 van het Bijdragebesluit zorg bepaalt dat de verzekerde van 18 jaren of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een instelling. 5.4. De Raad is van oordeel dat dit imperatief gestelde algemeen verbindende voorschrift gedaagde geen ruimte biedt om de eigen bijdrage niet op te leggen, te matigen of kwijt te schelden. 5.5. Dat neemt niet weg dat bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin een strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De Raad wijst op zijn uitspraak van 3 oktober 2001, LJN AD7575. Uit het ongeschreven recht, in het bijzonder uit het rechtszekerheidsbeginsel, vloeit voort dat een eigen bijdrage niet met terugwerkende kracht kan worden opgelegd indien daardoor de rechtszekerheid van de betrokkene wordt geschonden. 5.6. De Raad stelt vast dat aan appellanten bij besluit van 13 april 2005, zoals gehandhaafd in het bestreden besluit van 7 november 2005, met terugwerkende kracht, ten titel van definitieve vaststelling, een eigen bijdrage is opgelegd voor het verblijf van betrokkene in [K.]. 5.7. Voor wat betreft de vraag of daardoor de rechtszekerheid is geschonden dient de wetenschap van betrokkene van relevante feiten en omstandigheden aan appellanten te worden toegerekend.