Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2008-06-03
ECLI:NL:CRVB:2008:BD4704
Bestuursrecht
06/6615 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 oktober 2006, 06/555 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: College) Datum uitspraak: 3 juni 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.F. Fretes, werkzaam bij de gemeente Lelystad. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving sedert 19 april 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande van 21 tot 65 jaar, verhoogd met een toeslag van 10% op grond van de Verordening verhoging en verlaging algemene bijstand (hierna: de verordening). Daaraan lag ten grondslag dat appellant de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander, namelijk met [naam huisgenoot], die in de woning op hetzelfde adres ([adres]) als appellant zijn hoofdverblijf heeft. Naar aanleiding van een door het College ingesteld onderzoek naar de woonsituatie van appellant is het College gebleken dat op het adres van appellant sinds 21 februari 2005 nog een persoon zijn hoofdverblijf heeft, namelijk een zekere [R.]. Deze informatie vormde voor het College aanleiding om bij besluit van 3 juni 2005 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 21 februari 2005 te herzien naar de norm voor een alleenstaande van 21 tot 65 jaar, omdat appellant sinds die datum de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met meer dan één ander en er in een dergelijk geval op grond van artikel 3, vierde lid, onder a, van de verordening geen toeslag op de bijstandsnorm wordt verleend. Tevens heeft het College bij afzonderlijk besluit van 3 juni 2005 (besluit 2) de over de periode van 21 februari 2005 tot en met 30 april 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 262,83 van appellant teruggevorderd. 1.2. Bij brief van 31 mei 2005 heeft het College aan appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) wordt beëindigd en dat hij om aansluitend in aanmerking te komen voor bijstand ingevolge de WWB wordt uitgenodigd voor een gesprek op 13 juni 2005, welk gesprek volgens het College nodig is om het recht op bijstand, de voorwaarden waaronder deze wordt verstrekt en de hoogte van de bijstand opnieuw te beoordelen. Appellant diende ten behoeve van dat gesprek een inlichtingenformulier in te vullen en de bij diverse vragen genoemde bescheiden mee te nemen. In de brief wordt appellant erop gewezen dat in het geval hij geen gehoor geeft aan de oproep het recht op bijstand zal worden opgeschort. Omdat appellant, ondanks daartoe bij herhaling in de gelegenheid te zijn gesteld, niet alle gevraagde bescheiden heeft ingeleverd, heeft het College besloten het recht op bijstand van appellant bij besluit van 11 juli 2005 (besluit 3) met ingang van 13 juni 2005 op te schorten. Bij besluit van 28 juli 2005 (besluit 4), aangevuld bij besluit van 25 oktober 2005, heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 13 juni 2005 herzien (lees: ingetrokken). Bij afzonderlijk besluit van 13 juni 2005 (besluit 5) heeft het College de kosten van bijstand over de periode van 13 juni 2005 tot en met 30 juni 2005 tot een bedrag van € 318,49 van appellant teruggevorderd. 1.3. Het College heeft - voor zover hier van belang - bij besluit van 24 januari 2006 de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 tot en met 5 ongegrond verklaard. 1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 januari 2006 ongegrond verklaard. 1.5. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Ten aanzien van de besluiten 1 en 2 heeft appellant - kort gezegd - aangevoerd dat het niet op zijn weg lag om aan het College door te geven dat [R.] op zijn adres was komen wonen, omdat in zijn persoonlijke situatie niets was gewijzigd. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij door de beslissing van het College in financiële problemen is gekomen. Ten aanzien van de besluiten 3 tot en met 5 heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat voor hem onduidelijk was welke informatie het College van hem verlangde omdat het College volgens hem reeds over alle voor de bijstandsverlening noodzakelijke informatie beschikte. 2. Ten aanzien van de besluiten 1 en 2 komt de Raad tot de volgende beoordeling. 2.1. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het College de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Op grond van artikel 30, vierde lid, van de WWB vindt verhoging of verlaging van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB. 2.2. De Raad is van oordeel dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de medebewoning van [R.] niet van wezenlijke invloed was op zijn persoonlijke situatie. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat appellant op het adres [adres] een kamer huurt van de eigenaar van de woning op dit adres die daar zelf niet woont, dat deze eigenaar de woning in verschillende eenheden onderscheidt en een huurprijs per afzonderlijke wooneenheid rekent, dat de huur inclusief gas, water, elektra en extra’s (gebruik van keuken, douche, wasmachine, droger en balkons) is, en dat door de bewoners geen collectieve kosten worden gedeeld. Gelet hierop had het op de weg van het College gelegen om, alvorens te besluiten dat appellant vanwege zijn woonsituatie niet meer in aanmerking kwam voor een toeslag, na te gaan of individuele afstemming als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WWB in dit geval geboden was. De besluiten 1 en 2 zijn dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen en het College heeft deze besluiten bij de heroverweging in bezwaar ten onrechte ongewijzigd gehandhaafd. 3. Ten aanzien van de besluiten 3 tot en met 5 overweegt de Raad het volgende. 3.1. Met ingang van 1 januari 2004 zijn de WWB en de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken, met dien verstande dat de artikelen van de WWB, genoemd in artikel 1, aanhef en onder a, van het Inwerkingtredingsbesluit met ingang van 1 januari 2005 in werking zijn getreden en dat de artikelen van de Abw, genoemd in artikel 2, aanhef en onder a, van het Inwerkingtredingsbesluit met ingang van het bij Koninklijk Besluit van 21 januari 2005 (Stb. 2005, 35) - nader - bepaalde tijdstip van 1 februari 2005 zijn komen te vervallen. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de IWWB, voor zover hier van belang, gelden door het college op grond van de Abw genomen besluiten als door hem genomen besluiten op grond van de WWB. Op grond van het derde lid van dit artikel brengt het College de op grond van de Abw genomen besluiten binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van de WWB in overeenstemming met die wet voor zover die besluiten daarvan afwijken. 3.2. Ter zitting heeft het College nader toegelicht dat de woon- en leefsituatie van appellant onder de bepalingen van de Abw niet afweek van die onder de WWB en dat voorts alle feiten en omstandigheden bekend waren die van belang waren voor de voortzetting van de bijstand van appellant. De informatie die van appellant werd verlangd hield verband met de werkwijze die de gemeente Lelystad als gevolg van de inwerkingtreding van de WWB hanteerde.