Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2008-12-04
ECLI:NL:CRVB:2008:BG8459
Bestuursrecht
08/1479 CSV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2008, 06/3689 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 4 december 2008. I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. G.J. Westra, werkzaam bij CROP belastingadviseurs te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2008. Voor appellante is verschenen haar directeur [naam directeur], bijgestaan door mr. M.P.L.M. Manders, werkzaam bij CROP belastingadviseurs te Hoofddorp en mr. G.J. Westra. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1.1. De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde in geding. 1.2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. 1.3. Appellante drijft een groothandel in tabaksartikelen. [naam. O.F.P.] bezit 100% van de aandelen van de [naam bedrijf], die in het bezit is van 100% van de aandelen van appellante. Deze aandelen zijn op 15 december 1999 ingebracht in de [naam stichting] (hierna: de Stichting) tegen uitgifte van certificaten. [Naam algemeen directuur van appellante] (hierna: [naam directeur van appellante]) is benoemd tot algemeen directeur van appellante en [naam directeur] (hierna: [directeur]) is benoemd tot financieel directeur van appellante. In deze hoedanigheid zijn beiden belast met de dagelijkse leiding van appellante. 1.4. Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft het Uwv voor [directeur] verzekeringsplicht aangenomen op grond van artikel 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij besluiten van 28 en 29 september 2005 heeft het Uwv correctie- en boetenota’s opgelegd over de jaren 2002, 2003 en 2004. Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het Uwv het namens appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat aan [directeur] voor de verrichte werkzaamheden periodiek loon is betaald en dat [directeur] gelet op zijn specifieke deskundigheid gehouden was de arbeid persoonlijk te verrichten. Ten aanzien van de vraag of sprake was van een gezagsverhouding achtte de rechtbank aannemelijk dat aan [directeur] aanwijzingen gegeven konden worden. Omdat daarmee alle elementen van een dienstbetrekking tussen appellante en [directeur] aanwezig waren, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat [directeur] in de periode in geding als verzekeringsplichtig in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten was aan te merken. De omstandigheid dat [directeur] beschikte over een VAR-WUO maakt dat volgens de rechtbank niet anders, terwijl van toezeggingen van de Belastingdienst niet gebleken is. Ten aanzien van de opgelegde boeten heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van een pleitbaar standpunt. 3. Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft onder handhaving van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd nogmaals gewezen op de in haar ogen door de Belastingdienst gedane toezeggingen, alsmede op het in de statuten van de Stichting omschreven doel van de Stichting. Daarnaast heeft appellante nog een opmerking gemaakt ten aanzien van de verzekeringspositie van de algemeen directeur [naam directeur van appellante]. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het Uwv terecht heeft aangenomen dat tussen appellante en [directeur] een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering meebrengt op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag, alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, bevestigend. 4.2. Naar het oordeel van de Raad staan niet alleen de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting door [directeur] en de verplichting tot betaling van loon door appellante vast, maar is ook sprake geweest van een gezagsverhouding zoals kenmerkend is voor een dienstbetrekking tussen appellante en [directeur], waarmee is voldaan aan de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad heeft hierbij het volgende overwogen. 4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is, behoudens zeer bijzondere gevallen, bij de beoordeling van de aard van de arbeidsrelatie van een statutair directeur van doorslaggevende betekenis het al dan niet bestaan van de mogelijkheid om tegen zijn wil te worden ontslagen. Indien een statutair directeur van een besloten vennootschap in de algemene vergadering van aandeelhouders in verband met de eigendomsverhoudingen geen of geen doorslaggevende invloed heeft op een besluit betreffende zijn ontslag, moet in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot die vennootschap. Een uitzonderingssituatie kan zich voordoen indien uit alle feiten en omstandigheden overigens voldoende materiële indicaties naar voren komen voor het ontbreken van de mogelijkheid van gezagsuitoefening, ook in een situatie waarin niet of niet in relevante mate in het aandelenkapitaal wordt geparticipeerd. 4.4. Uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam blijkt dat [directeur] met ingang van 1 februari 2002 is benoemd tot financieel directeur van appellante, in welke hoedanigheid hij samen met [naam directeur van appellante] de directie voerde van appellante, zonder in deze vennootschap enige eigendomspositie te hebben. Alle aandelen van appellante werden in de periode in geding beheerd door de Stichting die blijkens haar statuten tot doel had het bevorderen van een goede bedrijfsvoering en het verzekeren van de continuïteit in en het weren van invloeden op de leiding van appellante. De Stichting kon ter verwezenlijking van haar doel alle aan de aandelen verbonden rechten uitoefenen en in die hoedanigheid de directie van appellante aanwijzingen geven. Zowel ter zitting bij de rechtbank als ter zitting van de Raad is van de zijde van appellante desgevraagd meegedeeld dat het op grond van de statuten van de Stichting op zich mogelijk was om [directeur] aanwijzingen te geven. Dat een dergelijke situatie zich feitelijk niet heeft voorgedaan betekent niet dat er geen sprake was van een gezagsverhouding. Het feit dat [directeur] bij de uitvoering van zijn directietaken vergaande besluiten nam en doorvoerde brengt niet mee dat hij niet onder werkgeversgezag werkzaam was. Daarbij merkt de Raad op dat de directie van appellante, [naam directeur van appellante] en [directeur], financiële verantwoording diende af te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders van appellante en dat jaarlijks een presentatie werd gehouden voor het bestuur van de Stichting over de gang van zaken. De Raad maakt hieruit op dat de aandeelhouders controle konden uitoefenen over de gang van zaken binnen de vennootschap.