Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2009-01-26
ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
Bestuursrecht
05/1789 WAO 08/4026 WAO-S Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: betrokkene) met als partijen: betrokkene en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat) Datum uitspraak: 26 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2003, 03/3543, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Bij uitspraak van 11 juli 2008, 05/1789 WAO (LJN BD7033) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder nummer 08/4026 WAO wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure. Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, daarop schriftelijk gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2008. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Roy van Zuydewijn en de Staat door mr. Daalder. II. OVERWEGINGEN 1. In zijn uitspraak van 11 juli 2008 heeft de Raad onder 6.3.1 vastgesteld dat in het geding tussen betrokkene en het Uwv vanaf de ontvangst door het Uwv op 18 oktober 2002 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van die uitspraak ruim vijf en een half jaar zijn verstreken. Voorts heeft de Raad vastgesteld dat de behandeling van het hoger beroep vanaf de ontvangst door de Raad op 21 maart 2005 van het hoger-beroepschrift van betrokkene tot de datum van de uitspraak van 11 juli 2008 drie jaar en iets minder dan vier maanden heeft geduurd. Hieraan heeft de Raad het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. De Raad heeft vervolgens, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbij, met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb, de Staat als partij in die procedure is aangemerkt. 2.1. Namens de Staat is - kort weergegeven - uiteengezet dat wordt onderschreven dat, nu de behandeling van het hoger beroep bij de Raad bijna drie jaar en vier maanden heeft geduurd en de totale duur van de procedure vijf en een half jaar is geweest, de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 2.500,– redelijk kan worden geacht. 2.2. De gemachtigde van betrokkene heeft betoogd dat betrokkene met een bedrag van € 2.500,– onvoldoende tegemoet wordt gekomen. Daartoe is verwezen naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Op grond daarvan geldt volgens de gemachtigde als hoofdregel dat een compensatie op haar plaats is van € 1.000,– tot € 1.500,– per jaar dat de totale procedure in beslag neemt, welk bedrag wordt verhoogd met € 2.000,– indien aan de zijde van de belanghebbende sprake is van een zwaarwegend belang. De gemachtigde heeft daarbij in het bijzonder verwezen naar de overwegingen van het EHRM in het arrest van 11 november 2004, inzake Pizzati tegen Italië, zaak nr. 62361/00 (gepubliceerd in JB 2005/1). Voor een afwijking van die bedragen is naar de mening van de gemachtigde in het geval van betrokkene geen aanleiding. 3.1. De Raad stelt bij de beoordeling van het voorliggende verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voorop dat het volgens de jurisprudentie van het EHRM (onder andere het arrest van 29 maart 2006, inzake Scordino tegen Italië (no. 1), zaak nr. 36813/97 (gepubliceerd in EHRC 2006/61 en AB 2006, 294)) in de eerste plaats aan de nationale autoriteiten is om passende maatregelen te treffen om de in artikel 6 van het EVRM neergelegde rechten te verzekeren. Indien de wetgever of de gerechtelijke instanties binnen een lidstaat invulling geven aan een compensatie op nationaal niveau, komt deze instanties een ruime beoordelingsvrijheid toe omdat aldus de hoogte van de schadevergoeding kan worden afgestemd op andere in het rechtssysteem voorkomende schadevergoedingen en in overeenstemming kan worden gebracht met wat binnen het rechtssysteem als juist wordt ervaren. Hierbij kan worden afgeweken van de bedragen die het EHRM zelf in vergelijkbare gevallen toekent. Het EHRM beperkt zich in die gevallen tot de beoordeling of de toegekende vergoeding passend en voldoende is. Daarbij is mede van belang dat indien een nationale regeling beschikbaar is, rechtzoekenden zich niet gedwongen zien zich tot het EHRM te wenden, waarmee hun een rechtsgang wordt bespaard. 3.2. Uit deze jurisprudentie van het EHRM leidt de Raad af dat er ruimte bestaat voor een vergoedingensysteem op nationaal niveau, waarbij niet zonder meer aangesloten behoeft te worden bij de door het EHRM gehanteerde berekeningswijze en de bedragen die het EHRM in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn toekent. Anders dan de gemachtigde van betrokkene is de Raad van oordeel dat deze ruimte niet slechts bestaat in de situatie waarin op nationaal niveau tevens is voorzien in de mogelijkheid voor de betrokkene om de procedure te versnellen. Hij verwijst in dit verband naar de overwegingen 187 tot en met 189 van het EHRM in het arrest Scordino, waaruit naar zijn oordeel blijkt dat deze ruimte ook aanwezig is indien uitsluitend is voorzien in de mogelijkheid van schadevergoeding achteraf. 3.3. Met betrekking tot de hoogte van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn die binnen het Nederlandse rechtssysteem aangewezen is, overweegt de Raad als volgt. 3.4. In het voorliggende geval betreft het een procedure in drie instanties, te weten bezwaar, beroep en hoger beroep. De Raad merkt daarbij de bezwaarfase als een afzonderlijke instantie aan, nu het hier gaat om een in beginsel verplichte procedure voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is naar het oordeel van de Raad in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad laat daarbij wegen dat de belanghebbende een zwaarwegend belang heeft bij duidelijkheid over zijn uitkeringssituatie. 3.5. Heeft - in zaken zoals deze - de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 12 november 2008 (LJN BG5163)). 3.6. Is in een of meer instanties sprake van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, dan is er een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel.