Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2009-04-08
ECLI:NL:CRVB:2009:BI2256
Civiel recht
08/57 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 november 2007, 07/705 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 april 2009. I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.G.M. van de Veerdonk, regiojurist van de ABVAKABO/FNV, hoger beroep ingesteld. Nadien hebben appellant en mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, nog gronden van het hoger beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft het Uwv een reactie gegeven op een vraagstelling zijdens de Raad. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2009. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 1.1. Appellant, geboren in 1947, was sinds 1 maart 1994 als jurist gedurende 38 uur per week in dienst van (de rechtsvoorganger van) de Stichting Rechtsbijstand Asiel Nederland (hierna: werkgever). Per 1 juni 2005 heeft appellant in overleg met de werkgever de omvang van het dienstverband teruggebracht naar 28 uur per week, en is hem ten behoeve van de opgegeven arbeidsuren een zogenoemde Ruil-Overbruggingsuitkering (Ruil-OBU) van € 1.486,50 per maand toegekend. 1.2. Nadat de werkgever op 20 juli 2006 aan de kantonrechter had verzocht om de arbeidsovereenkomst met appellant te ontbinden en appellant daartegen verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter bij beschikking van 24 juli 2006 de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2006 ontbonden. 1.3. Appellant heeft terzake van het verlies van de 28 arbeidsuren per 1 oktober 2006 een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 13 oktober 2006 heeft het Uwv de WW-uitkering per 2 oktober 2006 toegekend. Daarbij is het Uwv ervan uitgegaan dat appellant gemiddeld 28 uur per week heeft gewerkt. Bij hetzelfde besluit heeft het Uwv op de WW-uitkering het door appellant ontvangen bedrag aan Ruil-OBU in mindering gebracht. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 22 maart 2007 ongegrond is verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de Ruil-OBU gelijkgesteld dient te worden met een ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. Volgens het Uwv was de uitzondering in het zevende lid van artikel 34 van de WW op de de Ruil-OBU niet van toepassing. 2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat bij de Ruil-OBU, sprake is van een uitkering die moet worden gelijkgesteld met een ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW en dat de inkomsten uit dat pensioen in mindering moeten worden gebracht op de WW-uitkering. 3. Het hoger beroep van appellant komt er op neer dat de Ruil-OBU geen ouderdoms-pensioen is en dat het Uwv niet gerechtigd is die inkomsten op zijn WW-uitkering in mindering te brengen. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1.1. Ingevolge het eerste lid van artikel 34 van de WW worden op de uitkering geheel in mindering gebracht: a. inkomsten wegens loonderving en b. inkomsten wegens ouderdomspensioen. 4.1.2. In het achtste lid van artikel 34 van de WW is bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, onder ouderdomspensioen wordt verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Tevens is in dat artikel bepaald dat Onze Minister bevoegd is uitkeringen gelijk te stellen met ouderdomspensioen. 4.1.3. Bij de regeling Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen (hierna: Regeling Gelijkstelling) is van die bevoegdheid gebruik gemaakt. Artikel 1 van de Regeling Gelijkstelling luidt als volgt: 1. Voor de toepassing van artikel 34 van de Werkloosheidswet wordt met een ouderdomspensioen gelijkgesteld: a. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering die bij wijze van oudedagsvoorziening is toegekend voorafgaande aan een recht op ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Werkloosheidswet; b. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering die bij wijze van oudedagsvoorziening is toegekend voorafgaande aan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar; c. een uitkering op grond van een regeling tot vervroegde uittreding. 4.1.4. De Raad is gebleken dat, kort gezegd, de Ruil-OBU een regeling is voor werknemers, geboren vóór 1949, en tussen de 58 en 60 jaar, voorafgaand aan de eigenlijke OBU, waarbij voor ieder jaar dat vóór het 60e gebruik wordt gemaakt van de Ruil-OBU, ná het 60e een jaar moet worden doorgewerkt. De Ruil-OBU eindigt op de eerste dag van de maand waarin een betrokkene 62 wordt. Aldus wordt de mogelijkheid geboden om vanaf de leeftijd van 58 jaar minder te gaan werken. De Raad is gelet hierop van oordeel dat de Ruil-OBU, gezien artikel 1, aanhef en onder b, van het Regeling Gelijkstelling moet worden aangemerkt als een ouderdomspensioen in de zin van het eerste lid, onder b, van artikel 34 van de WW. De Raad verwijst verder nog naar de toelichting bij de Ruil-OBU waarin wordt gesteld dat de Ruil-OBU een betrokkene financieel in staat stelt om vanaf het 58e minder te gaan werken en dat de Ruil-OBU is afgeleid van de OBU, een salarisvervangende uitkering die een betrokkene vanaf het 60e in staat stelt volledig te stoppen met werken. 4.2. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de inkomsten uit de Ruil-OBU op de WW-uitkering in mindering dienen te worden gebracht. 4.2.1. Op grond van artikel 34, zevende lid, van de WW worden de onder b van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld. 4.2.2. Indien al gezegd kan worden dat de dienstbetrekking waaruit appellant werkloos werd op 1 oktober 2006, een andere was dan de dienstbetrekking waaraan de Ruil-OBU werd ontleend, kan niet worden gezegd dat hier sprake was van dienstbetrekkingen die naast elkaar werden vervuld. Dit betekent dat de uitzondering van het zevende lid van artikel 34 van de WW in dit geval niet van toepassing is. 4.3. De Raad is, met het Uwv, van oordeel dat appellant, anders dan door hem gesteld, niet per 1 juni 2005 werkloos is geworden. Zoals op diverse plaatsen door appellant zelf is aangegeven, was het zijn intentie om de omvang van zijn werkzaamheden te minderen, in de hoop dat hij er in zou slagen de problemen op zijn werk te ondervangen. Van enige beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voor de prijsgegeven 10 uur per 1 juni 2005 is de Raad niet gebleken. Op het aanvraagformulier voor de WW-uitkering per 1 oktober 2006 heeft appellant aangegeven dat hij voor 28 uur per week beschikbaar is. Indien appellant van mening was dat hij ook al per 1 juni 2005 werkloos was, had hij zich op dat moment voor 38 uur beschikbaar moeten stellen.