Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2009-07-09
ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2832
Bestuursrecht
08/878 WW 08/879 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 december 2007, 06/2068 en 07/1388 (hierna: aangevallen uitspraak), in de gedingen tussen: appellant en 1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) 2. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister) Datum uitspraak: 9 juli 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. G. Wind, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv en de Minister hebben een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Wind, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V. te Heerlen. Ter zitting van de Raad is gebleken dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weststellingwerf (hierna: College) als mede-belanghebbende ten onrechte niet is uitgenodigd voor de zitting. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst, en het College in de gelegenheid gesteld als partij in het geding deel te nemen. Het College heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de Raad het College in de gelegenheid gesteld te reageren op het beroepschrift en het verhandelde ter zitting. Het College noch rechtsopvolger Stichting [naam Stichting] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang. Daarbij gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant is vanaf 14 maart 1977 werkzaam geweest als groepsleerkracht bij het openbaar basisonderwijs in de gemeente Weststellingwerf. Per 1 januari 2006 is de dienstbetrekking van appellant beëindigd. 1.2. Appellant heeft op 25 januari 2006 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), alsmede voor een bovenwettelijke uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BBWO). 1.3. Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het Uwv appellant per 24 januari 2006 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een dagloon van € 119,43. Bij besluit van gelijke datum heeft de Minister appellant per 24 januari 2006 een bovenwettelijke uitkering op grond van het BBWO toegekend, bestaande uit een aanvulling tot 78% van het dagloon van € 119,43. 1.4. Bij besluiten van 4 april 2006 hebben het Uwv en de Minister de besluiten van 22 maart 2006 gewijzigd, en het dagloon nader vastgesteld op € 148,09. 1.5. Bij besluit van 20 juli 2006 hebben het Uwv en de Minister het bezwaar van appellant in die zin gegrond verklaard, dat de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering alsnog toegekend worden per 2 januari 2006. Het dagloon is gehandhaafd op € 148,09. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant blijft de mening toegedaan dat op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder j, ten eerste, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet Lb) het dagloon WW en het bovenwettelijk dagloon verhoogd dienen te worden met de helft van de door appellant in de referteperiode betaalde bijdrage ingevolge het Reglement Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU). Ook betoogt appellant dat per 1 januari 2006 sprake is van een algemeen geldende neerwaartse wijziging van het peil van de WW-uitkering, zodat de Minister op grond van artikel 21 van het BBWO gehouden was het bovenwettelijk dagloon vast te stellen als had de WW op 1 januari 2006 geen neerwaartse wijziging ondergaan. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Artikel 45, eerste lid, van de WW bepaalt dat voor de berekening van de uitkering waarop op grond van dit hoofdstuk recht bestaat als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met betrekking tot een loontijdvak van één dag. 4.2. Bij het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) zijn op basis van artikel 45, tweede lid, van de WW nadere regels gesteld ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid. 4.3. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder loon wordt verstaan: het loon, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf 1, van de Wfsv. 4.4. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder q, van het Besluit bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder refertejaar wordt verstaan: de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid dan wel het arbeidsurenverlies is ingetreden. 4.5. Artikel 24, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat op het loon, dat is genoten in aangiftetijdvakken voorafgaand aan de dag waarop dit besluit in werking treedt (29 december 2005) en voorafgaande aan de dag waarop artikel 48, derde lid, van de Invoeringswet Wfsv in werking treedt (1 januari 2006), de bepalingen van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) van toepassing blijven, zoals die luidde op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van artikel 48, derde lid, van de Invoeringswet Wfsv. 4.6. Artikel 4, eerste lid, onder a, van de CSV (zoals dit luidde van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005) bepaalt, voor zover hier van belang, dat loon is het loon overeenkomstig Hoofdstuk II van de Wet Lb. 4.7. Ingevolge artikel 38c, eerste lid, van de Wet Lb (zoals dit luidde van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005), voor zover hier van belang, blijft voor een op 31 december 2004 bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, tot en met 31 december 2005 artikel 11, zoals dat luidde op 31 december 2004, van toepassing. 4.8. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder j, ten eerste, van de Wet Lb (zoals dit luidde op 31 december 2004) behoren niet tot het loon: bedragen die worden ingehouden als bijdrage ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding. 4.9. De Raad stelt vast dat de eerste WW-dag van appellant 2 januari 2006 is, zodat het Uwv - op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van het Besluit - op goede gronden is uitgegaan van een referteperiode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005. 4.10. Tussen partijen is niet in geschil dat de FPU-regeling waaraan appellant deelneemt een regeling voor vervroegde uittreding is als (op 31 december 2004) bedoeld in artikel 18i van de Wet Lb. Voorts gaat de Raad er met de rechtbank van uit dat appellant in het refertejaar heeft deelgenomen aan een op 31 december 2004 bestaande regeling voor vervroegde uittreding. 4.11.