Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2009-10-06
ECLI:NL:CRVB:2009:BK0734
Bestuursrecht
08/4290 WWB 08/4292 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wettelijk vertegenwoordigd door [K.] en [G.], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 13 juni 2008, 07/504 en 07/505 (hierna: aangevallen uitspraak), in de gedingen tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: College) Datum uitspraak: 6 oktober 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 augustus 2009, waar partijen zoals aangekondigd niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.1. Appellant is in 1999 geboren in Nederland. Hij heeft evenals zijn ouders, die uit Kosovo afkomstig zijn, niet de Nederlandse nationaliteit. Op 5 oktober 2005 heeft de vader van appellant ten behoeve van hem een aanvraag om bijstand ingediend, dit onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2005, LJN AU0687. Op dat moment waren appellant en zijn ouders in afwachting van een beslissing op hun aanvragen van 3 december 2002 om een verblijfsvergunning regulier met als doel het ondergaan van een medische behandeling. 1.2. Bij besluit van 23 november 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant en zijn ouders niet behoren tot de met Nederlanders gelijkgestelde vreemdelingen als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) en daarom geen recht op bijstand hebben op grond van de WWB. Vervolgens zijn de aanvragen om een verblijfsvergunning van appellant en zijn ouders bij beschikking van 28 december 2005 afgewezen. 1.3. Bij besluit van 19 april 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 november 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is de grondslag van de afwijzing gewijzigd in die zin, dat geen sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB dan wel dat wegens het verblijf van de ouders van appellant in het buitenland niet kan worden vastgesteld of daarvan sprake is. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 19 april 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant en zijn ouders in de periode van 3 december 2005 tot 28 december 2005 op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), rechtmatig in Nederland verbleven en dat met ingang van 28 december 2005 geen sprake meer is van rechtmatig verblijf. Volgens de rechtbank is niet in geschil dat appellant ten tijde van de aanvraag van 5 oktober 2005 rechtmatig in Nederland verbleef en dat het College diende te toetsen of er zeer dringende redenen waren op basis waarvan aan hem gedurende de periode van 5 oktober 2005 tot 28 december 2005 bijstand verstrekt kon worden. De rechtbank achtte aannemelijk dat appellant gedurende genoemde periode grotendeels op het adres van zijn oom en tante in Axel heeft doorgebracht en door hen met zorg en hulp is bijgestaan. Voor zover appellant in behoeftige omstandigheden heeft verkeerd, is aannemelijk dat deze door inbreng van de familie zijn verholpen. De stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het verlenen van bijstand in die periode volstrekt onvermijdelijk was, zodat geen sprake was van een acute noodsituatie in de zin dat er zeer dringende redenen waren om bijstand aan appellant te verlenen. 3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank bestreden. Appellant is van mening dat de rechtbank het begrip dringende reden onjuist heeft uitgelegd en dat de omstandigheid dat de ouders van appellant niet over inkomsten of huisvesting beschikten en daarom bij familie inwoonden wel een dringende reden oplevert als bedoeld in artikel 16 van de WWB. Appellant kan zich voorts niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat na 28 december 2005 geen sprake meer was van rechtmatig verblijf in de zin van de Vw 2000. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De Raad stelt voorop dat de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand aanvangt op de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd en eindigt op de datum van het primaire besluit. In het onderhavige geval is dat de periode van 5 oktober 2005 tot en met 23 november 2005. Dit brengt mee dat de rechtbank haar beoordeling ten onrechte mede heeft gericht op de periode vanaf 24 november 2005. 4.2. In artikel 11 van de WWB is bepaald wie rechthebbende is op bijstand ingevolge deze wet. Tussen partijen is niet in geschil dat de ouders van appellant geen vreemdelingen zijn als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB en zelf geen recht hebben op bijstand ingevolge de WWB. Appellant zelf is evenmin een vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB heeft degene die jonger is dan 18 jaar geen recht op bijstand. 4.3. De artikelen 11 en 13 zijn opgenomen in hoofdstuk 2, paragraaf 2.2., van de WWB. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB, kunnen burgemeester en wethouders gelet op alle omstandigheden aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van paragraaf 2.2. bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Artikel 16, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het eerste lid, niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. 4.4. Tussen partijen bestaat er geen verschil van mening over dat, gelet op de uitspraak van de Raad van 24 januari 2006, LJN AV0197, artikel 16, tweede lid, van de WWB ten aanzien van appellant wegens strijd met artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) buiten toepassing dient te worden gelaten, nu hij gedurende de hier te beoordelen periode rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. 4.5. Met betrekking tot de vervolgens te beoordelen vraag of in het geval van appellant sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, overweegt de Raad het volgende. In de onder 4.4 vermelde uitspraak heeft de Raad onder meer overwogen dat hij in zijn rechtspraak betreffende de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw) reeds enkele malen heeft beslist dat het in artikel 11, eerste lid, van de Abw voorkomende begrip zeer dringende redenen ten aanzien van minderjarige kinderen conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK moet worden uitgelegd (zie de uitspraken van 29 maart 2005, LJN AT3468, 14 juni 2005, LJN AT8038 en 5 juli 2005, LJN AT9963) en dat hij geen aanleiding ziet om daarover anders te oordelen onder de werking van artikel 16, eerste lid, van de WWB. Hierin ligt besloten dat van zeer dringende redenen sprake is indien de ouders die zelf geen recht op bijstand hebben, zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor hun minderjarige kind(eren) noodzakelijke kosten te betalen. 4.6. De Raad stelt vast dat de rechtbank en het College bij de interpretatie van het begrip zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB zijn voorbijgegaan aan bovenstaande rechtspraak, zodat de conclusie dat geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling op een onjuiste rechtsopvatting berust.