Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2010-01-26
ECLI:NL:CRVB:2010:BL3976
Bestuursrecht
07/2824 WWB 07/2825 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellanten], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 april 2007, 06/4611 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College) Datum uitspraak: 26 januari 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Voor appellant is verschenen mr. Balkema. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B.C.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente Arnhem. De Raad heeft het onderzoek heropend. Een nadere behandeling van de zaak ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2009. Voor appellanten is mr. Balkema verschenen. Het College heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1 Bij brief van 30 november 2005 heeft het College appellanten, die toen een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvingen, bericht dat de gemeente Arnhem een tweetal vorderingen op hen heeft. Deze vorderingen worden met ingang van 1 november 2005 afgelost via inhouding op hun uitkering met een bedrag van € 29,55 per maand. Bij brief van 5 januari 2006 is aan appellanten bericht dat het bedrag van de maandelijkse aflossing € 33,09 per maand bedraagt. Daarbij is uitgegaan van een aflossingscapaciteit van € 90,09, verminderd met een aflossing aan de Stadsbank van € 57,--. Appellanten hebben tegen een en ander bezwaar gemaakt. 1.2. Bij besluit van 28 augustus 2006 heeft het College de bezwaren van appellanten, voor zover deze zien op de in het besluit van 30 november 2005 genoemde aflossingen over de maanden november en december 2005 gegrond verklaard. Het besluit van 5 januari 2006 is gehandhaafd. 1.3. Appellanten hebben tegen het besluit van 28 augustus 2006 beroep bij de rechtbank ingesteld. Hangende dat beroep heeft het College bij besluit van 26 januari 2007 de aflossingscapaciteit van appellanten per 1 januari 2006 vastgesteld op € 66,86, per 1 juli 2006 op € 60,68 en per 1 januari 2007 op € 55,73, telkens per maand. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Gelet op de overwegingen van de rechtbank, begrijpt de Raad deze uitspraak aldus dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2006 niet-ontvankelijk heeft bevonden, en dat het beroep tegen het besluit van 26 januari 2007, voor zover het ziet op de aflossingscapaciteit per 1 januari 2006, ongegrond is verklaard. Het besluit van 26 januari 2007, voor zover het ziet op de aflossingscapaciteit per 1 juli 2006 en per 1 januari 2007, is aangemerkt als een primair besluit. Voorts volgt uit de overwegingen van de rechtbank dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak. Met het oog daarop heeft de rechtbank diverse overwegingen gegeven. 3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het betreft de overwegingen van de rechtbank over het in aanmerking nemen van de premie ziektekosten, de woonkosten en de vakantietoeslag. 4. Het College heeft in deze uitspraak berust. De Raad is niet gebleken dat het College uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De omvang van het geding 5.1. De Raad stelt vast dat appellanten het oordeel van de rechtbank, dat het materiële geschil in beroep zich beperkt tot de vraag of het besluit van het College waarbij de aflossingscapaciteit van appellanten per 1 januari 2006 (en tot 1 juli 2006) is vastgesteld op € 66,86 per maand de rechterlijke toets kan doorstaan, niet hebben tegengesproken. De Raad stelt verder vast dat appellanten ter zitting van 27 januari 2009 hun beroepsgronden betreffende de woonlasten niet langer hebben gehandhaafd. De vakantietoeslag 5.2. Tussen partijen staat vast dat het College het aan appellanten toekomende vakantiegeld maandelijks voor hen reserveerde en jaarlijks aan hen uitbetaalde. Verder staat vast dat het College 7,5% van de voor beslag beschikbare ruimte benutte. 5.3. Appellanten stellen zich op het standpunt dat, aangezien de vakantietoeslag 4,7% van de algemene bijstand bedraagt, het gevolg van deze handelwijze is dat appellanten - feitelijk - iedere maand tekort komen. Zij hebben er verder op gewezen dat een beslaglegger/deurwaarder die niet van het in de gemeente Arnhem gehanteerde systeem op de hoogte is of zich daaraan niet stoort, op de vakantietoeslag beslag zou kunnen leggen. 5.4. Ingevolge artikel 475d, eerste lid, aanhef en a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedraagt de beslagvrije voet voor appellanten negentig procent van de bijstandsnorm voor gehuwden. In die norm is, zo volgt uit artikel 19, derde lid, van de WWB, de vakantietoeslag begrepen. De in geding zijnde berekening van de beslagvrije voet is op dit onderdeel in overeenstemming met de wet. Voorts is de maandelijkse reservering van de vakantietoeslag in overeenstemming met het bepaalde in artikel 45, eerste lid, van de WWB. Daarbij merkt de Raad op - en ook het College en de rechtbank gaan daarvan uit - dat de maandelijks gereserveerde vakantietoeslag jaarlijks hetzij volledig tot uitbetaling komt hetzij uitsluitend nog in zoverre mag worden gebruikt voor aflossing dat de betrokkenen per saldo blijven beschikken over de voor hen geldende beslagvrije voet. De Raad voegt daaraan nog toe dat hier uitsluitend ter beoordeling voorligt de door het College toegepast inhouding op de bijstand van appellanten. De vraag of een beslaglegger bij beslaglegging (mogelijk) verder gaat dan op grond van Rv mogelijk is, is hier niet aan de orde. De premie ziektekosten 5.5. Ingevolge artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, Rv, zoals dit artikelonderdeel tot 1 januari 2008 luidde, wordt de beslagvrije voet verhoogd met de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt. Vanaf 1 januari 2008 bepaalt dit artikelonderdeel dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met: de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en vierde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt. 5.6. Het College heeft de beslagvrije voet uitsluitend verhoogd met de premies van de door appellanten gesloten aanvullende ziektekostenverzekeringen. Appellanten hebben aangevoerd dat de beslagvrije voet ook moet worden verhoogd met de aan de zorgverzekeraar te betalen basispremie, waarop alleen in mindering mag strekken het bedrag van de zorgtoeslag, aangezien die toeslag het door hen feitelijk te betalen bedrag aan premies vermindert. Appellanten hebben zich daarbij beroepen op de tot 1 januari 2008 geldende tekst van de wet. Het College en de rechtbank hebben het aanvaardbaar geacht dat wordt geanticipeerd op de vanaf 1 januari 2008 geldende wettekst. 5.7.