Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2010-02-18
ECLI:NL:CRVB:2010:BL6142
Bestuursrecht
09/2718 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 april 2009, 07-880 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Bestuurscommissie Openbaar Voortgezet Onderwijs te Amstelveen (hierna: bestuurscommissie) Datum uitspraak: 18 februari 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.A. Dekker, advocaat te ’s-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A. Geerdink, advocaat te Woerden, en M. Manders, directeur van het Amstelveen College. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante was sinds 1987 werkzaam als docent bij het Amstelveen College, laatstelijk in een aanstellingsomvang van 0,566. In januari 2004 heeft zij zich ziek gemeld. Met ingang van 17 februari 2004 is aan haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering vanaf 9 juli 2004 is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In de periode hierna is die uitkering wisselend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en van 45 tot 55%. Op 2 december 2005 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een functieongeschiktheidsadvies (hierna: FOA) opgesteld waarin is vastgesteld dat appellante op de voorgenomen ontslagdatum gedurende twee jaar arbeidsongeschikt is wegens ziekte of gebrek voor de functie van docent en dat dit naar verwachting ook nog zo zal zijn zes maanden na die datum. 1.2. Bij brief van 16 januari 2006 heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv in het kader van een ambtshalve herbeoordeling aan de bestuurscommissie meegedeeld dat de WAO-uitkering van appellante zal worden verlaagd van 80 tot 100% naar 45 tot 55% (dit is met ingang van 17 maart 2006 gebeurd). Hierbij is aangegeven dat appellante is aangewezen op kniesparende arbeid en op werk zonder veelvuldige piekbelasting en deadlines en verder dat conflictsituaties zoveel mogelijk vermeden dienen te worden. Verder is hierbij meegedeeld dat appellante klassikaal geen les meer kan geven en dat de volgende gangbare of passende functiemogelijkheden in overweging kunnen worden genomen: remedial teacher, administratief medewerker, telefoniste, receptioniste, medewerker bibliotheek, literatuuronderzoeker, etc. Aan de bestuurscommissie is verzocht zorgvuldig te onderzoeken of en zo ja op welke wijze betrokkene herplaatst kan worden binnen de organisatie. 1.3. De bestuurscommissie heeft vervolgens bij besluit van 31 januari 2006 aan appellante met ingang van 15 februari 2006 eervol ontslag verleend op grond van artikel 4b.3, aanhef en onder f, van de Collectieve arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2005-2006. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hangende dit bezwaar zijn partijen naar aanleiding van een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank in onderhandeling gegaan met betrekking tot de mogelijkheden tot her-plaatsing en beëindiging van de arbeidsrelatie. Een minnelijke schikking is uiteindelijk niet tot stand gekomen. Bij besluit van 24 april 2008 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, waarbij het standpunt is ingenomen dat er voor appellante, gelet op haar beperkingen, geen passende functies beschikbaar zijn. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het door appellante tegen het besluit van 24 april 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar van appellante gegrond verklaard, het ontslagbesluit van 31 januari 2006 herroepen en bepaald dat aan appellante eervol ontslag wordt verleend per 1 maart 2007. 3. Appellante heeft in hoger beroep gemotiveerd aangevoerd dat de rechtbank op onjuiste wijze zelf in de zaak heeft voorzien. De bestuurscommissie heeft in deze uitspraak berust en verweer gevoerd tegen hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht. 4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 4.1. Allereerst stelt de Raad vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak tot het oordeel is gekomen dat op de datum van het ontslagbesluit (nog) niet voldoende zorgvuldig was onderzocht of appellante binnen het Amstelveen College kon worden herplaatst in een van de door de arbeidsdeskundige in de onder 1.2 genoemde brief genoemde functies, zoals vereist is op grond van artikel 20 van het Besluit Ziekte en Arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (hierna: BZA). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat alvorens tot ontslag werd overgegaan ook is onderzocht of appellante bij een andere werkgever (extern) was te herplaatsen, zoals vereist is op grond van artikel 11 van het BZA. Op grond hiervan heeft de rechtbank geconcludeerd dat de bestuurscommissie niet bevoegd was appellante per 15 februari 2006 ontslag te verlenen. Nu de bestuurscommissie in deze uitspraak heeft berust en appellante het hoger beroep heeft beperkt tot de toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, vormt dit oordeel van de rechtbank het uitgangspunt voor de Raad bij de beoordeling van de standpunten van partijen in hoger beroep. De rechtbank heeft bij deze toepassing overwogen dat bij het Amstelveen College geen passende arbeid voorhanden was maar dat de bestuurscommissie nog had moeten bevorderen dat appellante extern zou worden herplaatst als bedoeld in artikel 11 van het BZA. Aan dit laatste kwam echter een eind in maart 2007 toen partijen op het punt stonden een overeenkomst te sluiten, aldus de rechtbank. 4.2. De Raad kan appellante volgen in haar grief dat de rechtbank in het onderhavige geval niet op de onder 2 vermelde wijze toepassing heeft kunnen geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, maar had moeten volstaan met gegrondverklaring van het bezwaar van appellante en herroeping van het primaire besluit van 31 januari 2006, op de grond dat het gebrek niet meer kon worden hersteld in bezwaar. Dat partijen tijdens de bezwaarprocedure langdurig met elkaar hebben onderhandeld over interne herplaatsingsmogelijkheden en bijna tot een beëindigingsovereenkomst kwamen, maakt niet dat de bestuurscommissie in maart 2007 niet meer gehouden kon worden te voldoen aan de door de rechtbank aangenomen verplichting om te bevorderen dat appellante extern wordt geplaatst. 4.3. Het vorenstaande betekent dat door de herroeping van het primaire ontslagbesluit het dienstverband van appellante is herleefd en dat de bestuurscommissie alsnog en met voortvarendheid een gedegen onderzoek zal dienen in te stellen naar de mogelijkheden om appellante, uitgaande van haar actuele beperkingen voor het verrichten van arbeid, (geheel of gedeeltelijk en zo nodig en mogelijk met verschuiving van taken) binnen haar gezagsbereik te herplaatsen. Als dit niet tot resultaat leidt, dient de bestuurscommissie te bevorderen dat appellante elders wordt ingeschakeld in het arbeidsproces. Dit herplaatsingsonderzoek zal in overleg met appellante moeten worden uitgevoerd en de duur van dit onderzoek zal zich ten minste dienen uit te strekken tot en met de taaktoedeling voor het schooljaar 2010/2011, dus tot 1 september 2010. 5.