Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2010-07-23
ECLI:NL:CRVB:2010:BN2339
Bestuursrecht
09/2047 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2009, 07/2897(hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 23 juli 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Appellante en haar raadsvrouw zijn niet verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. R.A. Sowka. II. OVERWEGINGEN 1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 14 september 2007 ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met dat besluit heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd van 21 december 2006, waarbij is vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering omdat zij bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was dan wel haar volledige arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden na aanvang van de verzekering te verwachten was. 2. In beroep heeft het Uwv alleen het standpunt gehandhaafd dat sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat sprake is van voldoende indicaties om aan te nemen dat appellante volledig arbeidsongeschikt was toen haar verzekering een aanvang nam. De rechtbank heeft in de standpuntwijziging van het Uwv in beroep aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het besluit van 14 september 2007 te vernietigen en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. 3.1. Appellante is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen en heeft herhaald dat zij ondanks haar klachten in staat was de aanvaarde werkzaamheden te verrichten en dat van volledige arbeidsongeschiktheid pas sprake is geweest nadat zij was geopereerd. 3.2. Het Uwv heeft zich neergelegd bij het oordeel van de rechtbank. 4. De Raad overweegt het volgende. 4.1. Met de aanvaarding van werkzaamheden als schoonmaakster met ingang van 6 oktober 2004 werd appellante verzekerde in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Zij heeft gewerkt totdat zij op 29 november 2004 een operatie onderging aan haar linkerpols in verband met een carpaal tunnelsyndroom (CTS). Zij heeft haar werkzaamheden na de operatie niet kunnen hervatten. Na het eindigen van de voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst heeft appellante ziekengeld ontvangen ingevolge de Ziektewet. 4.2. In verband met het verzoek van appellante haar in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering is zij op 6 oktober 2006 en 29 november 2006 onderzocht door verzekeringsarts P. Eken. Deze verzekeringsarts heeft de door haar vastgestelde beperkingen van appellante aan het einde de wachttijd ingevolge de Wet WIA op 3 december 2006 neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 november 2006. Zij heeft vervolgens een inschatting gemaakt van de beperkingen van appellante bij aanvang van de WAO-verzekering op 6 oktober 2004 en die beperkingen neergelegd in een FML van 8 december 2006. 4.3. Voor het opnemen van forse handbeperkingen in beide FML’en heeft Eken van belang geacht dat appellante volgens eigen zeggen vanaf eind 2003 polsklachten had met tintelingen en pijn in beide handen, waarvoor zij regelmatig haar huisarts bezocht. In augustus 2004 is appellante verwezen naar neuroloog M.A. Struys, die – nog voordat appellante als schoonmaakster aan de slag ging – een CTS links vaststelde en appellante voor een operatie doorverwees naar een chirurg. In een in het kader van de beoordeling van het recht van appellante op ziekengeld verkregen rapportage van Struys van 26 juni 2006 is een dubbelzijdig CTS beschreven, rechts zeer ernstig en links licht en verbeterd na de operatie in 2004. De handbeperkingen bij aanvang van de verzekering en bij einde wachttijd verschillen in die zin dat in 2004 meer beperkingen worden aangenomen bij het gebruik van de linkerhand en in 2006 bij het gebruik van de rechterhand. 4.4. Bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar is aan de hand van de beschikbare medische gegevens van mening dat Eken de beperkingen die op 6 oktober 2004 bij appellante bestonden voor het verrichten van arbeid juist heeft ingeschat. Appellante heeft in beroep en hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die een ander licht werpen op de beperkingen van appellante bij aanvang van de WAO-verzekering. De Raad gaat uit van de juistheid van de FML van 8 december 2006, waarin de op 6 oktober 2004 bestaande beperkingen vastliggen. 4.5. Ingevolge het bepaalde in artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA in samenhang met het bepaalde in artikel 46, tweede lid, onder a, en het bepaalde in artikel 124 van die wet kan voor appellante geen recht op een WIA-uitkering zijn ontstaan als komt vast te staan dat zij volledig arbeidsongeschikt was op het tijdstip van aanvang van haar WAO-verzekering op 6 oktober 2004. 4.6. In zijn uitspraak van 28 januari 2009 (LJN BH2844) heeft de Raad neergelegd dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 43 van de Wet WIA moet worden afgeleid dat de wetgever voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c van dat artikel inhoudelijk geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WAO, waarin voor het Uwv een bevoegdheid is neergelegd om volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering buiten beschouwing te laten. De Raad is van oordeel dat de onder artikel 30, eerste lid, van de WAO gevormde jurisprudentie voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c, en artikel 46 van de Wet WIA haar gelding heeft behouden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor het aannemen van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering nodig dat de omstandigheden van het geval blijk geven van voldoende en ondubbelzinnige indicaties voor het bestaan daarvan. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Ook volgens vaste rechtspraak wordt het begrip volledige arbeidsongeschiktheid niet uitsluitend bepaald door het medische oordeel. Indien een verzekerde ondanks ziekte of gebreken arbeid heeft verricht, moeten ook in aanmerking worden genomen factoren als de aard van de arbeid, de wijze waarop en het tijdvak gedurende welke die arbeid werd verricht. 4.7. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 21 december 2006 uiteengezet dat hij op basis van de FML van 8 december 2006 geen functies heeft kunnen selecteren die voor appellante geschikt zijn, zodat zij theoretisch gezien volledig arbeidsongeschikt was op 6 oktober 2004. Dat appellante met haar polsklachten gedurende een periode van ongeveer zeven weken als schoonmaakster heeft gewerkt, is naar zijn mening niet genoeg om aan te nemen dat zij voor die werkzaamheden wel geschikt was. De arbeidsdeskundige heeft beschreven dat de werkzaamheden van appellante bestonden uit stofzuigen, tafels afnemen, vaatwassers vullen en leegruimen en vuilnis afvoeren. Hij heeft vastgesteld dat die werkzaamheden een goede handvaardigheid vereisen, omdat sprake is van grijpen, knijpen, schroefbewegingen van de handen en repetitief hand- en vingergebruik. Omdat appellante in de FML van 8 december 2006 op al deze aspecten fors beperkt wordt geacht, kan de conclusie geen andere zijn dan dat zij voor de aanvaarde schoonmaakwerkzaamheden vanaf het begin volledig ongeschikt is geweest. 4.8.