Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2012-05-25
ECLI:NL:CRVB:2012:BW7183
Bestuursrecht
10/7101 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2010, 10/821 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats], België (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak 25 mei 2012. Namens appellant heeft mr. M.F.P. de Clercq hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2012. Voor appellant is verschenen mr. De Clercq en [S.]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz. De Centrale Raad van Beroep -vernietigt de aangevallen uitspraak; -verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 januari 2010; -bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; -veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,-; -bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en J. Brand en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2012. (get.) M.M. van der Kade. (get.) Z. Karekezi. KR 1.1. Appellant, geboren [in] 1942, woont in België. Op 27 mei 2003 is appellant gehuwd met [d. G.], geboren [in] 1942, wonende in Nederland. 1.2. Bij besluit van 23 september 2008 heeft de Svb aan appellant met ingang van mei 2007 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, berekend naar het bedrag voor een gehuwde pensioengerechtigde. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft daartoe aangevoerd dat hij recht heeft op een AOW-pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, omdat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Op de in het kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting is met appellant afgesproken dat hij een formulier “Onderzoek duurzaam gescheiden leven” krijgt toegezonden met het verzoek dat ingevuld retour naar de Svb te verzenden. Na een daartoe namens appellant gedaan verzoek heeft de Svb bij brief van 22 april 2009 aan appellant meegedeeld dat de termijn waarbinnen een beslissing op bezwaar wordt genomen, met vier weken wordt verlengd. Daaraan is toegevoegd dat, indien het formulier niet binnen de beslistermijn wordt ontvangen, er een beslissing zal worden genomen op basis van de beschikbare gegevens. 1.3. De Svb heeft bij besluit van 20 mei 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 september 2008 ongegrond verklaard en daarbij aangegeven dat het meergenoemde formulier niet binnen de termijn is ontvangen. Verder is uiteengezet waarom in het geval van appellant zich geen situatie voordoet waarin sprake is van duurzaam gescheiden leven. Tegen het besluit van 20 mei 2009 is geen beroep ingesteld. Op 22 mei 2009 is het formulier met een begeleidende brief van 20 mei 2009 van de gemachtigde van appellant alsnog ontvangen door de Svb. 2.1. Namens appellant is bij brief van 26 oktober 2009 verzocht om het formulier alsnog inhoudelijk te betrekken bij de eerdere besluitvorming. 2.2. Bij besluit van 2 december 2009 heeft de Svb het onder 2.1 vermelde verzoek van appellant aangemerkt als een verzoek om herziening van de beslissing op bezwaar van 22 mei 2009 (lees: 20 mei 2009). Omdat volgens de Svb aan dit verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ten opzichte van de beslissing op bezwaar van 22 mei 2009 (lees: 20 mei 2009) ten grondslag zijn gelegd, is dit verzoek afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daartoe aangevoerd dat ten onrechte het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb is toegepast. 2.3. Bij besluit van 22 januari 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het formulier en de begeleidende brief van de gemachtigde van appellant terecht als een verzoek om herziening van de beslissing op bezwaar van 22 mei 2009 (lees: 20 mei 2009) zijn aangemerkt. Deze stukken bevatten volgens de Svb geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding kunnen geven om tot een andere beslissing te komen. 3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen, samengevat, dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan de Svb aanleiding had moeten zien terug te komen van de in rechte vaststaande beslissing op bezwaar van 20 mei 2009. 4. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat de Svb telefonisch had toegezegd het formulier alsnog inhoudelijk te betrekken bij de beslissing op bezwaar van 20 mei 2009. Om deze reden is artikel 4:6 van de Awb ten onrechte toegepast. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij, gezien zijn leef- en woonomstandigheden, in aanmerking komt voor een AOW-pensioen voor een ongehuwde, omdat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1. In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in geding is, is het aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 14 juli 2006, LJN AY4101. Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden. 5.2. De rechtbank, alsmede de Svb, heeft uitsluitend getoetst of er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarmee is voorbij gegaan aan het onder 5.1 geschetste toetsingskader. Wegens deze tekortkoming komen de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. 5.3. Thans zal worden beoordeeld of de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank of de Svb kan worden afgedaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant in dit verband desgevraagd te kennen gegeven voorstander te zijn van een hernieuwde behandeling van het bezwaar door de Svb, maar dan zonder toepassing van artikel 4:6 van de Awb. De vertegenwoordiger van de Svb heeft daaromtrent ter zitting het standpunt ingenomen dat in het verweerschrift in eerste aanleg en in hoger beroep het onder 5.1 vermelde toetsingskader alsnog in acht is genomen. Een eventueel nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal inhouden dat in het geval van appellant zich geen situatie voordoet waarin sprake is van duurzaam gescheiden leven, aldus de vertegenwoordiger van de Svb. 5.4. De zaak behoeft geen nadere behandeling door de rechtbank. Daartoe wordt van belang geacht dat, zoals de vertegenwoordiger van de Svb ter zitting terecht opmerkte, in beroep en in hoger beroep alsnog is uiteengezet waartoe toepassing van het juiste toetsingskader zal leiden. De aanspraken van appellant op een uitkering in de toekomst zijn inhoudelijk beoordeeld. Appellant is in de gelegenheid geweest om hierop te reageren en niet is gebleken dat hij hiervoor meer tijd nodig heeft. Appellant heeft niet gesteld dat niet alle relevante gegevens voorhanden zijn. De Raad kan dan ook zelf een inhoudelijk oordeel geven over de zaak. In dat kader zal moeten worden beoordeeld of op basis van het in de verweerschriften neergelegde standpunt, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Eerst indien dit niet het geval is, dan zal de Svb worden opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. 5.5. Met betrekking tot de in 5.1 vermelde minder terughoudende toets over de periode na de ontvangst van het in 1.3 vermelde formulier, te weten 22 mei 2009, is het volgende van belang. Appellant is in mei 2003 gehuwd met mevrouw [d. G.] en moet dus vanaf dat moment worden aangemerkt als gehuwde pensioengerechtigde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW. Slechts indien appellant duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leeft, wordt hij op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW aangemerkt als ongehuwde pensioengerechtigde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW. 5.6.