Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2013-03-08
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4082
Bestuursrecht
11/3856 WAO-T, 11/3857 WAO-T Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 21 juni 2011, 10/28, respectievelijk 10/743 (aangevallen uitspraken) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) datum uitspraak: 8 maart 2013 Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 25 januari 2013, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013. (getekend) M.M. van der Kade (getekend) G.J. van Gendt TM 1. Appellante is serveerster/schoonmaakster geweest. Op 7 augustus 1985 is zij uitgevallen wegens psychische klachten. Na afloop van de wachttijd zijn haar met ingang van 20 oktober 1987 uitkeringen toegekend ingevolge de toenmalige Algemene Arbeidsongeschiktheidwet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Laatstelijk ontving appellante een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarnaast ontving zij een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). 11/3856 WAO 2.1. Uit een door het Uwv ingesteld onderzoek is gebleken dat appellante vanaf juni 2006 werkzaamheden heeft verricht als oppas en daarmee inkomsten heeft verworven. Vervolgens is, in overeenstemming met de bevindingen van de arbeidskundige H. Bakker in zijn rapport van 15 mei 2009, bij besluit van 18 mei 2009 vastgesteld dat appellante voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht maar dat haar uitkering - met toepassing van artikel 44 van de WAO - over de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 wordt uitbetaald als ware zij voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt en over de periode van 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 als ware zij voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt. 2.2. Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar toeslag met ingang van 1 juni 2006 wordt verlaagd tot € 7,26 bruto per dag, met ingang van 1 juli 2006 tot € 7,43 bruto per dag, met ingang van 1 januari 2007 tot € 11,98 bruto per dag en met ingang van 1 juli tot € 12,57 bruto per dag. Daaraan is toegevoegd dat - als gevolg van deze verlagingen - zij over de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2007 te veel toeslag heeft ontvangen en dat zij het te veel betaalde moet terugbetalen. 2.3. Bij besluit van 29 mei 2009 is appellante door het Uwv meegedeeld dat aan haar over de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2008 een bedrag van € 11.651,48 bruto aan WAO-uitkering en toeslag onverschuldigd is uitbetaald en dat dit bedrag wordt teruggevorderd. 3.1. Zowel tegen het besluit van 18 mei 2009, als tegen de beide besluiten van 29 mei 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt. 3.2. Op 12 november 2009 heeft de bezwaararbeidskundige J. Langebeeke rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat de arbeidskundige het maatmaninkomen niet op de juiste wijze had geïndexeerd. Hij heeft het maatmaninkomen per 1 juni 2006 dan ook op een ander bedrag vastgesteld. Tevens heeft hij de bruto-inkomsten per uur uit de oppaswerkzaamheden van appellante op een ander bedrag vastgesteld. Op basis van deze gewijzigde bedragen heeft hij de op de WAO-uitkering van appellante over de periode 1 juni 2006 tot 1 juli 2008 toe te passen maandelijke kortingen nader berekend. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 7 december 2009, wat betreft de WAO-uitkering over de periode van 1 juni 2006 tot 1 juli 2008, besloten conform de bevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige. De maandelijks aan appellante toekomende toeslag over de periode van 1 juni 2006 tot 1 januari 2008 is eveneens nader vastgesteld. Voorts is het totaal terug te vorderen bedrag verlaagd naar € 8.383,37. Omdat het besluit van 18 mei 2009 en de beide besluiten van 29 mei 2009 niet werden gehandhaafd, heeft het Uwv het bezwaar tegen deze besluiten bij het besluit van 7 december 2009 gegrond verklaard en besloten appellante een vergoeding toe te kennen ter hoogte van € 644,- voor de kosten van in bezwaar verleende rechtsbijstand. 4. Tegen dat besluit heeft appellante beroep ingesteld. Daarbij heeft zij de volgende gronden naar voren gebracht: 1. Ten onrechte is na het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige geen tweede hoorzitting gehouden; 2. Zij heeft het Uwv tijdig geïnformeerd over haar werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten; 3. In haar maatmanarbeid verdiende appellante een hoger inkomen dan het minimumloon waar de bezwaararbeidskundige van is uitgegaan; 4. Ten onrechte zijn de uit de oppaswerkzaamheden verkregen (netto-)inkomsten gebruteerd, waarbij zij er op heeft gewezen dat het gaat om zogenoemde grijze werkzaamheden, toegestaan door de fiscus. 5. In de aangevallen uitspraak van 21 juni 2011, 10/28, heeft de rechtbank deze gronden gemotiveerd verworpen, waarbij ten aanzien van de eerste grond is overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige op basis van de door appellante in bezwaar aangevoerde gronden een ander maatmaninkomen heeft berekend. Het ging dus niet om gegevens die na de heroverweging bekend zijn geworden en om die reden bestond er voor het Uwv geen verplichting om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2009 dan ook ongegrond verklaard. 6. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep naar voren gebrachte gronden herhaald waarbij met betrekking tot de toepassing van artikel 7:9 van de Awb nog naar voren is gebracht dat de rechtbank heeft miskend dat de - na de eerste hoorzitting ontstane - uitkomst van de tussentijdse heroverweging door de bezwaararbeidskundige van essentieel belang is geweest en als zodanig tijdens een tweede hoorzitting aan de orde had moeten komen. 7.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 7.2. Evenals de arbeidskundige is de bezwaararbeidskundige bij het vaststellen van het maatmaninkomen uitgegaan van het minimumloon en heeft hij de netto-inkomsten uit de oppaswerkzaamheden gebruteerd. Daarnaast is hij appellante tegemoet gekomen in de bezwaren die zij had tegen de indexering van dit maatmaninkomen. De conclusie van de rechtbank dat na de heroverweging in bezwaar geen nieuwe gegevens bekend zijn geworden die voor het Uwv aanleiding hadden moeten geven om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb kan derhalve niet voor onjuist worden gehouden. 7.3. De bestreden besluiten zijn met toepassing van de artikelen 44 van de WAO en 11a, eerste lid, aanhef en onder b, van de TW tot stand gekomen. Zoals de Raad meermalen heeft overwogen - zie onder meer de uitspraken van de Raad van 5 november 2008, LJN BG3717 en van 29 oktober 2010, LJN BO2803 - staan tekst, doel en strekking van deze artikelen toepassing met terugwerkende kracht niet in de weg. Onder omstandigheden kan toepassing met terugwerkende kracht echter in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel met een (andere) ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Het Uwv hanteert daarbij een beleid zoals dat is neergelegd in de zogenoemde Beleidsregels schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230; hierna: de Beleidsregels). Dit beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Dit brengt mee dat de aanwezigheid en toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast. Uit onderstaande overwegingen blijkt dat daarvan sprake is geweest. 7.4. Ingevolge artikel 1 en artikel 3, aanhef en tweede lid, van de Beleidsregels wordt aan de thans in geding zijnde bepalingen terugwerkende kracht verleend indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting of medewerkingsverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt. 7.5. Het door het Uwv ingenomen standpunt dat appellante in de thans in geding zijnde periode werkzaamheden heeft verricht als oppas, kan op grond van de gedingstukken niet voor onjuist worden gehouden. Tevens heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij het Uwv tijdig van deze werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten op de hoogte heeft gesteld. Haar stelling dat zij met betrekking tot deze werkzaamheden contact heeft gehad met het Klanten Contact Centrum van het Uwv, heeft zij niet aannemelijk gemaakt.