Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2014-01-14
ECLI:NL:CRVB:2014:16
Bestuursrecht
12/1360 WIJ Datum uitspraak: 14 januari 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 januari 2012, 11/1347 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college) Namens appellante heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante heeft mr. Dassen-Vranken schriftelijk op het verweerschrift gereageerd en stukken in het geding gebracht. Het college heeft daarop schriftelijk gereageerd. Namens appellante heeft mr. Dassen-Vranken nadere stukken in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Voor appellante is mr. Dassen-Vranken verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen W.A.A. Buttolo. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2014. (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) A.C. Oomkens HD 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluit van 1 juli 2010 heeft het college appellante een werkleeraanbod gedaan in het kader van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Dit werkleeraanbod zag op het uitvoeren van een integrale diagnose. Voorts heeft het college appellante bij dat besluit een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toegekend met ingang van 1 juli 2010. Aan het werkleeraanbod heeft het college in de daarop volgende maanden geen vervolg gegeven. 1.2. Bij brief van 1 februari 2011 heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 11 februari 2011. Appellante is op die datum, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Het college heeft appellante in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door haar bij brief van 11 februari 2011 uit te nodigen voor een gesprek op 25 februari 2011. Het college heeft daarbij het recht op de inkomensvoorziening opgeschort met ingang van 11 februari 2011. Appellante is op 25 februari 2011, eveneens zonder kennisgeving, niet verschenen. 1.3. Bij besluit van 10 maart 2011 heeft het college het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening met ingang van 11 februari 2011 ingetrokken. Bij besluit van 30 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college onder wijziging van de wettelijke grondslag het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2011 ongegrond verklaard. Het college heeft met toepassing van artikel 21, aanhef en onder b, van de WIJ de intrekking van het werkleeraanbod gehandhaafd op de grond dat appellante, door zonder bericht van verhinderingen geen gehoor te geven aan de uitnodigingen voor gesprekken op 11 en 25 februari 2011, niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 44, tweede lid, van de WIJ op haar rustende medewerkingsverplichting en haar dit te verwijten valt. Aan de handhaving van de intrekking van de inkomensvoorziening heeft het college artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, van de WIJ ten grondslag gelegd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Het werkleeraanbod 4.1. Op grond van artikel 21, aanhef en onder b, van de WIJ kan het college een aan de jongere gedaan werkleeraanbod intrekken of herzien, indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de WIJ en hem dit te verwijten valt. 4.2. Artikel 44, tweede lid, van de WIJ maakt deel uit van hoofdstuk 5 en bepaalt dat de jongere verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het doel van het op 11 februari 2011 en later op 25 februari 2011 geplande gesprek was om actuele informatie te verkrijgen ten einde het werkleeraanbod, gedaan bij het besluit van 1 juli 2010, alsnog te kunnen uitvoeren. 4.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante, door zonder bericht van verhindering geen gehoor te geven aan de uitnodigingen voor dit gesprek, heeft gehandeld in strijd met de op haar ingevolge de artikel 44, tweede lid, van de WIJ rustende verplichting. Haar medewerking aan het beoogde gesprek was, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, noodzakelijk om te kunnen komen tot vervolgstappen inzake het integrale diagnostisch onderzoek. 4.5. Appellante heeft aangevoerd dat het college haar niet had mogen uitnodigen voor een gesprek, omdat het college zonder nader gesprek tot uitvoering van het werkleeraanbod diende over te gaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op het tijdsverloop van zeven maanden tussen het werkleeraanbod en de beoogde uitvoering ervan was een nader gesprek nodig om een beeld te krijgen van de actuele situatie waarin appellante verkeerde. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante aan de uitnodigingen gehoor diende te geven. 4.6. Anders dan appellante betoogt was haar het gebrek aan medewerking aan het door het college beoogde gesprek te verwijten. 4.6.1. De door appellante gestelde onwetendheid met betrekking tot het doel van het gesprek vormt geen geldig excuus. Zij had het college hierover immers om opheldering kunnen vragen, wat zij heeft nagelaten. Ook het feit dat zij deze afspraken was vergeten, zoals zij tegenover het college heeft verklaard, brengt op zichzelf niet mee dat haar het verzuim niet is te verwijten. De psychologische problematiek van appellante leidt, anders dan appellante stelt, niet tot een ander oordeel. In dit verband is het volgende van belang. 4.6.2. Appellante heeft ter onderbouwing van het standpunt, dat haar niet is te verwijten dat zij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodigingen van 1 en 11 februari 2011, gewezen op de door haar in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder een psychologisch rapport van 15 november 2012 en een besluit van 25 februari 2013 tot toekenning aan haar van een (Wajong)-uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten met ingang van 12 april 2013. 4.6.3. Uit die door appellante overgelegde stukken blijkt dat, nadat het bestreden besluit was genomen, bij appellante een verstandelijke beperking en meerdere karakterstoornissen zijn vastgesteld. In de stukken is vermeld dat appellante als gevolg van haar psychische problematiek beschikt over weinig effectieve copingsmechanismen, wat zich kenmerkt door vermijding, passiviteit en vluchtgedrag, met name in stress-situaties. Uit de stukken blijkt dat appellante in verband daarmee ondersteuning nodig heeft bij onder meer het aanbrengen van structuur in haar dagelijks leven en het op orde houden van haar administratie. Voor de conclusie dat appellante ten tijde hier van belang niet in staat kon worden geacht om ten minste enige reactie te geven op de eerste, en evenmin op de tweede uitnodiging bieden de stukken, bezien in het licht van het overig functioneren van appellante in die periode, echter onvoldoende grond. In dit verband is van betekenis dat appellante wel op of omstreeks 15 maart 2011 in staat is gebleken om op te merken dat op haar bankrekening een lager uitkeringsbedrag was bijgeschreven dan voordien en daarop direct telefonisch contact met de gemeente op te nemen. Voorts heeft zij reeds op 18 maart 2011 een nieuwe aanvraag om een werkleeraanbod ingediend. Daarnaast is zij in staat gebleken om zich na ontvangst van het besluit van 10 maart 2011 direct tot haar advocaat te wenden en tijdig een bezwaarschrift daartegen te laten indienen. Deze handelingen kunnen als alert en adequaat worden bestempeld. Appellante is aldus ten minste in staat gebleken om zich tijdig van de nodige hulp te voorzien, zoals ook van haar verwacht mocht worden. Onder deze omstandigheden is het causaal verband tussen de psychische problematiek van appellante en haar verzuim om te reageren op de uitnodigingen van 1 en 11 februari 2011, welke bezwaarlijk als stresserend kunnen worden aangemerkt, niet aannemelijk. 4.6.4. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het appellante valt te verwijten dat zij in strijd heeft gehandeld met artikel 44, tweede lid, van de WIJ, niet.