Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2016-05-13
ECLI:NL:CRVB:2016:1899
Bestuursrecht
14/898 WIA Datum uitspraak: 13 mei 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 februari 2014, 13/622 (ECLI:NL:RBOVE:2014:488) (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] h/o [handelsnaam] te [plaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Namens appellant heeft J. Ter Welle hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2016. Namens appellant is Ter Welle verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. 4.6. Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2016. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te onderteken. (getekend) N. van Rooijen AP 1.1. Met ingang van 1 juni 2003 heeft de ex-werkneemster van appellant (betrokkene) gewerkt als schoonmaakster bij appellant voor 5 uur per week. Betrokkene heeft zich per 14 maart 2005 voor deze werkzaamheden ziek gemeld. Zij heeft zich per 1 mei 2006 bij appellant hersteld gemeld. 1.2. Betrokkene heeft vanaf 1 januari 2000 gewerkt als machine-operator bij [naam B.V.] ([de B.V.]) voor 38 uur per week. Betrokkene heeft zich per 30 september 2005 voor deze werkzaamheden ziek gemeld. Een hersteldmelding is niet gevolgd. 1.3. Bij besluit van 26 februari 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor betrokkene met ingang van 12 maart 2007 op grond van artikel 54 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een WGA-uitkering. 1.4. Met ingang van 1 januari 2012 is appellant eigenrisicodrager voor de WGA. 1.5. Bij besluit van 23 november 2012 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de WGA-uitkering van betrokkene over de periode vanaf 1 januari 2012 alsnog op appellant zal worden verhaald, omdat appellant vanaf die datum eigenrisicodrager voor de WGA is. Als ingangsdatum van de WGA-uitkering is 12 maart 2007 vermeld en als (deel-)risicopercentage 6,28. 1.6. Het Uwv heeft het tegen het besluit van 23 november 2012 door appellant gemaakte bezwaar bij beslissing op bezwaar van 8 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 april 2012 (11/3625) heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat, nu betrokkene ook is uitgevallen voor haar werkzaamheden bij appellant, ook appellant verantwoordelijk is voor (het ontstaan van) de arbeidsongeschiktheid van betrokkene. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene bij aanvang van de wachttijd op 14 maart 2005 (alleen) is uitgevallen bij appellant en dat appellant vanaf 1 januari 2012 eigenrisicodrager voor de WGA is. Hieruit vloeit voort dat het Uwv op grond van artikel 72, eerste en tweede lid, van de de Wet WIA in verbinding met de artikelen 82 en 84 van de Wet WIA, gehouden is de aan betrokkene betaalde uitkering vanaf 1 januari 2012 op appellant te verhalen. Vervolgens heeft de rechtbank de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Wet WIA, in welk geval de uitkering niet wordt verhaald op de eigenrisicodrager, ontkennend beantwoord. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen (appellant is daarin aangeduid als “eiser”): “4.9. In de Memorie van Toelichting bij artikel 72 van de Wet WIA is vermeld dat dit artikel overeenkomt met artikel 71 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Uit de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 1996-1997, 24 698, nr. 9) is daarover het volgende vermeld: “Bij een samenloopsituatie binnen de WAO vindt als er sprake is van gelijktijdige uitval (hiermee wordt bedoeld dat iemand twee dienstbetrekkingen heeft en gelijktijdig uit beide dienstbetrekkingen arbeidsongeschikt wordt) een toedeling van de arbeidsongeschiktheidslasten plaats naar rato van de loonsomverhouding (…). Op deze toerekening wordt één uitzondering gemaakt, nl. in de situatie dat de werknemer in één van zijn dienstbetrekkingen nog volledig blijft doorwerken. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de werkgever werkzaam was in een combinatie van een “zware” en een “lichte” dienstbetrekking. Indien bij de WAO-beoordeling zou worden vastgesteld dat de werknemer nog geschikt is voor lichte werkzaamheden zou dit er toe kunnen leiden dat hij in zijn “lichte” dienstbetrekking volledig werkzaam blijft. Bij het toerekenen van de WAO-lasten zouden er desalniettemin lasten worden toegerekend aan de werkgever van de “lichte” dienstbetrekking. Dit zou niet in overeenstemming zijn met het uitgangspunt dat de lasten daar moeten worden neergelegd waar zij ontstaan en beïnvloed kunnen worden. Om deze reden is besloten in dit specifieke geval de arbeidsongeschiktheidslasten alleen toe te rekenen aan de werkgever waarbij de werknemer daadwerkelijk is uitgevallen (naar rato van de loonsomverhouding) en de resterende lasten niet toe te rekenen aan de werkgever waar de werknemer volledig blijft doorwerken (…).” 4.10. Gelet op de tekst van artikel 72, eerste en tweede lid van de WIA en de wetsgeschiedenis, zoals die blijkt uit voornoemde Nota, is het de bedoeling van de wetgever om, indien sprake is van twee dienstverbanden waarbij een werknemer in beide dienstverbanden uitvalt, de lasten van de uitkering naar rato toe te rekenen aan beide werkgevers. Doorslaggevend is dat sprake is van uitval bij beide werkgevers. Dat is niet enkel aan de orde in geval van gelijktijdige uitval, zoals de situatie die zich voordeed in de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 april 2012, maar ook als uitval opeenvolgend optreedt, zoals in onderhavige zaak. Dat de werknemer zich tijdens de wachttijd – die aanvangt bij de eerste uitval – voor één van die dienstverbanden hersteld meldt, doet daaraan niet af, aangezien de uitval bij beide dienstverbanden de maatstaf is. (…). 4.11. De uitzonderingssituatie, zoals bedoeld in het derde lid (lees: van artikel 72) van de WIA heeft uitsluitend betrekking op de situatie waarin een werknemer met twee dienstverbanden slechts in één dienstverband uitvalt en in het andere dienstverband, zonder uitval, volledig is blijven werken. De rechtbank baseert zich bij haar oordeel in het bijzonder op de aanduiding in artikel 72, derde lid, van de WIA, waarin wordt gesproken over “blijven verrichten” als ook op de Nota naar aanleiding van het verslag. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de wettekst onvoldoende ruimte om aan te nemen dat de uitzonderingssituatie ook geldt bij uitval gevolgd door (al dan niet volledige) werkhervatting. Dat betrokkene zich na haar ziekmelding bij eiser hersteld heeft gemeld en haar werkzaamheden bij eiser weer heeft hervat, kan eiser daarom niet baten. Evenmin is van belang dat de werkzaamheden bij eiser ten opzichte van de werkzaamheden bij [de B.V.] als “licht” gekwalificeerd zouden kunnen worden, aangezien betrokkene ook voor deze arbeid is uitgevallen. De situatie van het derde lid van artikel 72 van de WIA doet zich hier derhalve niet voor. (…)” 3.1. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat betrokkene gedurende de wachttijd haar werkzaamheden bij appellant heeft hervat. Het oordeel van de rechtbank dat de uitzondering van artikel 72, derde lid, van de Wet WIA, uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin een werknemer met twee dienstverbanden slechts in één dienstverband uitvalt en in het andere dienstverband, zonder uitval, volledig is blijven werken, is onredelijk. Appellant heeft erop gewezen dat hij zich in de periode van 14 maart 2005 tot 1 mei 2006 heeft ingespannen om de re-integratie van betrokkene te bewerkstelligen. Appellant leidt uit de wetsgeschiedenis af dat de uitkeringslasten daar moeten worden gelegd waar zij ontstaan en beïnvloed kunnen worden, dus niet bij appellant. Ter ondersteuning van zijn hoger beroep heeft appellant gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:RBNNE:2013:8331).