Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2016-02-26
ECLI:NL:CRVB:2016:917
Bestuursrecht
14/3478 WW Datum uitspraak: 26 februari 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2014, 13/6922 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel. De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak;- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten van appellant tot een bedrag van € 30,26;- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 166,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2016. (getekend) H.G. Rottier (getekend) L.L. van den IJssel AP 1.1. Appellant is met ingang van 10 januari 2012 in dienst getreden bij [naam B.V.] (werkgeefster) te [vestigingsplaats] in de functie van sales manager voor 37,5 uur per week. Op 9 juli 2012 hebben werkgeefster en appellant per 10 juli 2012 een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. In deze arbeidsovereenkomst is in artikel 3 bepaald dat de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven (CAO Meubelindustrie) van toepassing zijn. 1.2. Op 14 mei 2013 is werkgeefster in staat van faillissement verklaard, waarna de curator appellant ontslag heeft aangezegd. De opzegtermijn liep tot en met 28 juni 2013. Appellant heeft op 28 mei 2013 een aanvraag om overname van de betalingsverplichtingen van werkgeefster ingediend bij het Uwv. 1.3. Bij besluit van 8 juli 2013 heeft het Uwv appellant een uitkering wegens betalingsonmacht op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Deze uitkering betrof loon, vakantiegeld, vakantiedagen, overwerk in de periode van 18 februari 2013 tot en met 10 mei 2013 en reiskosten. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, onder andere omdat hij van mening is dat hij recht heeft op betaling van overurentoeslag. 1.4. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juli 2013 bij beslissing op bezwaar van 23 september 2013 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant recht heeft op een nabetaling van € 1.862,86 aan onkostenvergoeding. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen de weigering van overname van de overurentoeslag afgewezen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, dat alleen was gericht tegen de weigering van het Uwv om de overurentoeslag over te nemen, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 18 februari 1992, RSV 1992/221, (ECLI:NL:CRVB:1992:AK9567) overwogen dat het in strijd is met de strekking van Hoofdstuk IV van de WW om van het Uwv betaling te verlangen van achterstallig loon als een werknemer bij de werkgever nooit heeft aangedrongen op betaling hiervan, toen de werkgever nog tot betaling in staat was. Appellant heeft bevestigd dat hij pas na het faillissement bekend is geworden met het feit dat werkgeefster op grond van de CAO Meubelindustrie toeslagen op de overuren diende te vergoeden. Hieruit volgt dat appellant tijdens het dienstverband nooit aanspraak heeft gemaakt op betaling van overurentoeslag. Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de strekking van Hoofdstuk IV van de WW om van het Uwv betaling te verlangen van de overurentoeslag. Het Uwv heeft terecht geweigerd de door appellant gevorderde overurentoeslag over te nemen, aldus de rechtbank. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de bepaling in artikel 6 van zijn arbeidsovereenkomst, waarbij de betaling van overurentoeslag is uitgesloten, in strijd is met de destijds geldende CAO Meubelindustrie en om die reden buiten toepassing moet blijven. Appellant wist niet dat hij aanspraak kon maken op betaling van overurentoeslag, omdat hij ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst leidend was. Appellant wist pas na inschakeling van een jurist op 27 mei 2013 dat hij recht had op overurentoeslag. Het kan hem dan ook niet verweten worden dat hij hierop niet eerder aanspraak heeft gemaakt. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft afstand genomen van het in beroep ingenomen standpunt dat het in strijd met de aard en strekking van de regeling van Hoofdstuk IV van de WW is om de overwerktoeslag over te nemen. Het Uwv stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat artikel 6 van de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is, ondanks dat dit artikel een bepaling bevat waarbij ten nadele wordt afgeweken van de destijds geldende CAO Meubelindustrie. Dit betekent dat werkgeefster niet gehouden was om overurentoeslag aan appellant te betalen, en er daarom geen sprake is van een verplichting die het Uwv (op grond van artikel 67 van de WW) dient over te nemen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In artikel 9 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet cao) is bepaald: 1. Allen, die tijdens den duur der collectieve arbeidsovereenkomst, te rekenen van het tijdstip waarop zij is aangegaan, lid zijn of worden eener vereeniging, welke de overeenkomst heeft aangegaan, en bij de overeenkomst zijn betrokken, zijn door die overeenkomst gebonden. 2. Zij zijn tegenover elk der partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst gehouden al datgene, wat te hunnen aanzien bij die overeenkomst is bepaald, te goeder trouw ten uitvoer te brengen, als hadden zij zelve zich daartoe verbonden. In artikel 12 van de Wet cao is bepaald: 1. Elk beding tusschen een werkgever en een werknemer, strijdig met eene collectieve arbeidsovereenkomst door welke zij beiden gebonden zijn, is nietig; in plaats van zoodanig beding gelden de bepalingen der collectieve arbeidsovereenkomst. 2. De nietigheid kan steeds worden ingeroepen door elk der partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst. In artikel 2 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet avv) is in het eerste en derde lid bepaald: 1. Onze Minister kan bepalingen van eene collectieve arbeidsovereenkomst, die in het geheele land of in een gedeelte des lands voor eene - naar zijn oordeel belangrijke - meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden, in het geheele land of in dat gedeelte des lands algemeen verbindend verklaren. Deze bepalingen zijn dan, behalve in de gevallen door Onzen Minister uitgezonderd, binnen dat gebied verbindend voor alle werkgevers en werknemers ten aanzien van arbeidsovereenkomsten, die naar den aard van den arbeid, waarop zij betrekking hebben, onder de collectieve arbeidsovereenkomst vallen of zouden vallen, hetzij deze arbeidsovereenkomsten op het tijdstip, waarop de werking der verbindendverklaring aanvangt, reeds gesloten zijn, hetzij zij daarna gesloten worden. 2. (…) 3. Verbindendverklaring heeft geen terugwerkende kracht. In artikel 3 van de Wet avv is in het eerste lid bepaald: 1. Elk beding tusschen den werkgever en den werknemer, strijdig met verbindend verklaarde bepalingen, is nietig; in plaats van zoodanig beding gelden de verbindend verklaarde bepalingen. 4.2.1. In de arbeidsovereenkomst van appellant is in artikel 3 de CAO Meubelindustrie van toepassing verklaard. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat overuren naar keuze van de werknemer kunnen worden uitbetaald, dan wel kunnen worden verrekend middels tijd voor tijd. Ook is daarin bepaald dat werkgever de in de CAO Meubelindustrie genoemde toeslagen voor overwerk niet zal uitbetalen. Ter beoordeling ligt voor of werkgeefster met deze laatste bepaling rechtsgeldig is afgeweken van de CAO Meubelindustrie, of dat deze bepaling vernietigbaar of nietig is. Daarvoor dient beoordeeld te worden of werkgeefster en appellant rechtstreeks gebonden zijn aan de CAO Meubelindustrie of dat zij daaraan gebonden zijn doordat deze algemeen verbindend is verklaard. 4.2.2. Indien werkgeefster op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet cao rechtstreeks aan de CAO is gebonden, is de van de CAO afwijkende bepaling van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst vernietigbaar op grond van artikel 12, tweede lid, van de Wet cao.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 2 — Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10a Wet Avv 2023
- Artikel 3 — Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10a Wet Avv 2023
- Artikel 2 — Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv
- Artikel 3 — Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv
- Artikel 67 — Werkloosheidswet