Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-05-12
ECLI:NL:CRVB:2017:1991
Bestuursrecht
15/2720 WIA-T Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 maart 2015, 13/2848 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante B.V.]. te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Aan het geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam werknemer] te [woonplaats] (werknemer) Datum uitspraak: 12 mei 2017 Namens appellante heeft mr. R.L.J. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Werknemer heeft een zienswijze ingebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2016. Voor appellante is verschenen [naam directeur], directeur, bijgestaan door mr. Van der Meer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen. Werknemer is niet verschenen. Na de zitting is het onderzoek heropend. Het Uwv heeft bij brief van 13 oktober 2016 geantwoord op een vraag van de Raad. Bij brief van 14 december 2016 heeft het Uwv een afschrift van een brief van 6 maart 2014 van psychiater W. Bohlmeijer ingezonden. Daarop heeft appellante bij brief van 22 december 2016 gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 31 maart 2017. Voor appellante is verschenen mr. Van Noord, bijgestaan mr. Van der Meer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Smit. Werknemer is niet verschenen. De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit van 5 november 2014 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen. Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en L. Koper en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2017. (getekend) R.E. Bakker (getekend) A.M.C. de Vries SS 1.1. Werknemer heeft zich op 31 oktober 2012 met terugwerkende kracht per 14 oktober 2009 bij het Uwv ziek gemeld en verzocht om, na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 104 weken, hem een Ziektewet- en IVA-uitkering toe te kennen. Werknemer heeft ten aanzien van de terugwerkende kracht toegelicht dat hij twee weken na het ontslag op 29 september 2009, ernstig ziek is geworden. De late melding is veroorzaakt doordat de diagnose zo laat is gesteld en door dat hij geen werkgever (meer) had bij wie hij zich had kunnen ziek melden. Ter onderbouwing van de ziekmelding per 14 oktober 2009 heeft werknemer een brief van 14 januari 2013 van psychiater W. Bohlmeijer overgelegd waarin deze heeft vermeld dat hij werknemer op 14 oktober 2009 heeft gezien in verband met ernstige psychische klachten die zich hebben gemanifesteerd op het werk en die geleid hebben tot zijn uitval. 1.2. Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het Uwv aan werknemer met ingang van 14 oktober 2009 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend omdat sprake is van nawerking op grond van artikel 46 van de ZW omdat hij binnen vier weken na het einde van de verzekering ongeschikt tot werken is geworden. 1.3. Vervolgens heeft het Uwv, na een beoordeling door een verzekeringsarts, bij besluit van 26 februari 2013 vastgesteld dat voor werknemer met ingang van 12 oktober 2011 een recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Deze uitkering is toegekend tot 12 oktober 2012. 1.4. Appellante heeft tegen het besluit van 26 februari 2013 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat werknemer zich niet heeft ziek gemeld noch bij de werkgever noch in de periode na het ontslag. In de periode tussen het ontslag en de ziekmelding heeft werknemer gewerkt waardoor er geen sprake van ziekte is. Na onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2013 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 februari 2013 ongegrond verklaard. 2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1 en heeft in dat verband aangevoerd dat werknemer niet voldoet aan de voorwaarden van nawerking als bedoeld in artikel 46, eerste lid en onder b, van de ZW zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde. Omdat het dienstverband slechts één maand heeft geduurd, van 1 september tot 29 september 2009 en werknemer zich niet binnen acht dagen nadat het dienstverband is beëindigd heeft ziekgemeld, valt de ziekmelding per 14 oktober 2009 niet binnen de nawerking zoals bepaald in voormeld artikel. Bovendien heeft werknemer vanwege het onregelmatig ontslag loon ontvangen over de resterende elf maanden van het eerder overeengekomen jaarcontract. Met de toegekende ZW-uitkering ontvangt werknemer dubbele betalingen. Voorts heeft het Uwv, volgens appellante, bij aanvragen om uitkeringen met terugwerkende kracht, een zwaardere motiveringsplicht met betrekking tot het vaststellen van arbeidsongeschiktheid, zeker gelet op (derden)belangen van appellante als voormalig werkgever. Dit geldt temeer omdat appellante bij het toekennen van een ZW-uitkering met terugwerkende kracht, geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de re-integratieactiviteiten in de wachttijd van 104 weken. 2.2. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze gronden van appellante, bij besluiten van 27 februari 2014 (ZW-besluit) en 11 maart 2014 (WIA-besluit) vastgesteld dat werknemer niet voldoet aan de voorwaarden van nawerking als bedoeld in artikel 46, eerste lid en onder b, van de ZW, waardoor werknemer per 14 oktober 2009 en per 12 oktober 2011 geen recht heeft op ziekengeld, respectievelijk een WIA-uitkering. De bezwaren van werknemer tegen deze besluiten zijn bij besluiten van 30 juli 2014 ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn in de rechtbankprocedure overgelegd. 2.3. Vervolgens heeft werknemer een brief van 2 september 2014 van de huisarts bij het Uwv overgelegd waarin deze arts te kennen heeft gegeven dat werknemer zich al op 1 oktober 2009 bij hem heeft ziek gemeld. Hierop heeft het Uwv bij gewijzigd besluit van 5 november 2014 (bestreden besluit 2) vastgesteld dat werknemer niet per 14 oktober 2009 maar al per 1 oktober 2009 arbeidsongeschiktheid was zodat werknemer alsnog aan de voorwaarden van de nawerking heeft voldaan en aldus (toch) recht heeft op ziekengeld. 2.4. Appellante heeft de rechtbank te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in het bestreden besluit 2 vanwege de plots door werknemer gewijzigde en de door het Uwv voetstoots geaccepteerde ingangsdatum van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 14 oktober naar 1 oktober 2009 waardoor (alsnog) de nawerking van toepassing is. Op het Uwv rust volgens appellante een zware onderzoeks- en motiveringsplicht bij verzoeken om uitkeringen met terugwerkende kracht, temeer in de situatie als de onderhavige waarin werknemer eerst na vijf jaar van zijn eerdere, voor lange tijd gehandhaafde, arbeidsongeschiktheidsdatum van 14 oktober 2009 terugkomt en deze onder verwijzing naar een enkele brief van de huisarts naar 1 oktober 2009 verschuift. Het lag op de weg van het Uwv deze gestelde ziekmelding en het consult bij de huisarts op 1 oktober 2009 nader te onderzoeken. 2.5. Het Uwv heeft bij brief van 29 januari 2015 meegedeeld geen aanleiding te zien te twijfelen aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 oktober 2009. Omdat niet voldaan is aan de referte-eis van artikel 58 van de Wet WIA, heeft werknemer geen recht op een loongerelateerde uitkering. Wel heeft werknemer per 30 september 2009 recht op een loonaanvullingsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. 2.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit 1 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van het Uwv in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht, omdat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen bestreden besluit 1. Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig of onvolledig zou zijn geweest. De verzekeringsartsen hebben werknemer onderzocht en de brieven van psychiater Bohlmeijer en de huisarts betrokken bij hun conclusies. Begrijpelijk en inzichtelijk hebben de verzekeringsartsen gerapporteerd hoe zij tot de beoordeling zijn gekomen. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. 3.1. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv, gelet op de belangen van appellante als werkgever, geen deugdelijk medisch onderzoek heeft verricht naar de (authenticiteit en de objectief medische gronden van de) ziekmelding die met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden. Vanwege (derden)belangen, zoals van appellante, rust op het Uwv een zwaardere motiveringsplicht bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid als een uitkering met terugwerkende kracht wordt aangevraagd. Deze eis mag temeer gesteld worden in het onderhavige geval waar werknemer terugkomt van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag terwijl hij sinds het ontslag nooit heeft betoogd arbeidsongeschikt te zijn geweest. In dit verband heeft appellante gewezen op de WW-aanvraag van werknemer en op zijn opstelling in de civielrechtelijke procedure tegen de werkgever. Ook de brief van 2 september 2014 van de huisarts waarin ten faveure van werknemer wordt teruggekomen van een eerder aangenomen eerste ziektedag, had voor het Uwv reden moeten zijn een onderzoek in te stellen naar de objectief medische grondslag van de nadere eerste ziektedag. Daarbij had de wijze waarop de brief van 2 september 2014 van de huisarts is opgesteld, betrokken moeten worden.