Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-06-29
ECLI:NL:CRVB:2017:2280
Bestuursrecht
16/7692 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 november 2016, 15/3305 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats ] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (college) Datum uitspraak: 29 juni 2017 Namens appellant heeft mr. W.Th.A. Kampschreur, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. A.G. Kerkhof, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kampschreur. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kerkhof. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H. Lagas en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2017. (getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans (getekend) W.A.M. Ebbinge HD 1.1. Appellant was sinds 2001 werkzaam op de [naam school] (school). In 2004 is appellant belast met de waarneming van de functie van rector en in 2006 is hij benoemd tot rector van de school. 1.2. Op 29 augustus 2013 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst getekend, waarin is vastgesteld dat, met inachtneming van de geldende opzegtermijn en de BAPO-uren die appellant nog kon opnemen, zijn aanstelling per 1 februari 2014 als geëindigd wordt beschouwd. De redenen voor de beëindiging zijn redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 9.b.3, twaalfde lid, van de CAO VO 2011-2012. Aan appellant is een ontslagvergoeding ten bedrage van € 90.000,- bruto toegekend inzake te derven inkomsten en te derven pensioenopbouw. 1.3. Nadat de accountant van de gemeente vanuit zijn signaleringsfunctie ten behoeve van de naleving van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) het college had gewezen op een mogelijke overtreding van artikel 2.10 van de WNT, met als mogelijk gevolg dat de minister die het aangaat gebruik zal maken van zijn handhavende bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 5.3 tot en met 5.6 van de WNT, heeft het college bij besluit van 2 juni 2014 een bedrag van € 15.000,- bruto als onverschuldigd betaald van appellant teruggevorderd. 1.4. Bij besluit van 19 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant op goede gronden als topfunctionaris in de zin van de WNT is aangemerkt, zodat de overeengekomen ontslagvergoeding van € 90.000,- boven de toegestane norm van € 75.000,- is, zoals die is bepaald in artikel 2.10, eerste lid, van de WNT. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog onder meer dat de school is aan te merken als een instelling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de WNT en dat appellant in zijn functie als rector van de school is aan te merken als topfunctionaris als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder b, onderdeel 5°, van de WNT. 3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. Artikel 1.1, aanhef en onder b, onderdeel 5, van de WNT luidt: “In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder topfunctionaris: de leden van de hoogste uitvoerende en toezichthoudende organen van een rechtspersoon of instelling als bedoeld in artikel 1.3, artikel 1.4 of artikel 1.5, alsmede de hoogste ondergeschikte of de leden van de groep hoogste ondergeschikten aan dat orgaan en degene of degenen belast met de dagelijkse leiding van de gehele rechtspersoon of de gehele instelling”. 4.1.2. In artikel 1.2. van de WNT staat voor zover van belang: “1. De paragrafen 2 en 4 zijn van toepassing op: (…) c. de gemeenten; (…).” 4.1.3. Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de WNT luidt: “De paragrafen 2 en 4 zijn van toepassing op: de in bijlage 1 van deze wet opgenomen rechtspersonen of instellingen.” 4.1.4. In bijlage 1 bij artikel 1.3, eerste lid, van de WNT staat, voor zover van belang, het volgende: “Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (…) 7. De rechtspersonen die scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs in stand houden, alsmede de openbare scholen, bedoeld in dat artikel, die anders dan door een privaatrechtelijke of openbare rechtspersoon in stand worden gehouden, behoudens de privaatrechtelijke rechtspersoon die tevens is toegelaten op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen.” 4.1.5. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de WNT komen partijen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband tot ten hoogste € 75.000,-. 4.1.6. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, van de WNT zijn met het toezicht op de naleving belast de bij besluit van Onze Minister wie het aangaat aangewezen personen. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) is aangewezen voor het toezicht op de naleving van de WNT bij onderwijsinstellingen. 4.1.7. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de WNT meldt de accountant, (…) een onverschuldigde betaling aan Onze Minister, (…). 4.1.8. Artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) luidt, voor zover van belang, als volgt: “Deze wet verstaat onder een: (…) «school»: een school voor voortgezet onderwijs, tenzij het tegendeel blijkt; «openbare school»: a. een school in stand gehouden door een gemeente, dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet tezamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.” 4.1.9. In het op 12 juni 2006 door het college vastgestelde managementstatuut als bedoeld in artikel 32c van de WVO staat onder meer het volgende: “Artikel 1 Begripsbepaling: Rector: functionaris als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de WVO, die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de leiding heeft over de school. De rector voert de gemandateerde bestuurstaken en bevoegdheden uit, is belast met de voorbereiding en de uitvoering van het beleid van de school en met de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken.” 4.1.10. In artikel 5, eerste lid, van het managementstatuut is onder het kopje “Taken en bevoegdheden van de rector” opgenomen: “De rector voert de gemandateerde bestuurstaken en bevoegdheden uit, is belast met de voorbereiding en uitvoering van het beleid van de school en heeft de leiding over de dagelijkse gang van zaken.” 5.1. Appellant heeft betoogd dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door klakkeloos het oordeel van de accountant te volgen en geen nader onderzoek te verrichten. Dit betoog slaagt niet. De onafhankelijke accountant heeft overeenkomstig artikel 5.2 van de WNT een signaleringsfunctie ten behoeve van de naleving van de WNT. Uit het voornemen tot terugvordering van 15 april 2014 blijkt dat er sinds de signalering discussie tussen partijen is gevoerd over de vraag of de accountant moet worden gevolgd. Ook heeft het college navraag gedaan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs en in de bezwaarfase, in samenspraak met appellant, vragen gesteld aan de eenheid Toezicht WNT van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Gelet hierop is het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid. 5.2.1. Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de school geen instelling is als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de WNT, maar een openbare school in stand gehouden door de gemeente Veenendaal en daarmee feitelijk een onderdeel van de gemeente, zodat de school als zodanig valt onder artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, van de WNT. In die hoedanigheid is de school te vergelijken met andere gemeentelijke diensten, waarvan de leidinggevenden evenmin als topfunctionaris kunnen worden beschouwd.