Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2018-09-04
ECLI:NL:CRVB:2018:2716
Bestuursrecht
171015 NIOAZ, 17/1016 NIOAZ Datum uitspraak: 4 september 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2016, 16/2363 en 16/2571 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college) Namens appellanten heeft mr. E.T. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Arnold. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 26 april 2016 en 2 mei 2016; herroept de besluiten van 20 november 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 26 april 2016 en 2 mei 2016; veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.505,-; bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018. (getekend) W.H. Bel (getekend) F. Dinleyici Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding. LO 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving sinds 9 maart 2012 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) naar de grondslag voor een alleenstaande. Appellant staat sinds 3 februari 2010 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen (BRP), op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Appellante stond ingeschreven op het adres [adres 2] (adres van appellante). 1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant klussen aanneemt bij [naam bedrijf] , inkomen heeft uit het verhandelen van partydrugs en op zijn uitkeringsadres samenwoont met zijn vriendin, hebben medewerkers handhaving (medewerkers) van de gemeente Zaanstad een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek gedaan, de waterverbruikgegevens van het uitkeringsadres opgevraagd bij PWN, de Facebook-accounts van appellanten geraadpleegd, op 9, 10 en 11 september 2015 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres, op 14 september 2015 een onaangekondigd huisbezoek aan de woning van appellant op het uitkeringsadres gebracht, twee buurtbewoners van het adres van appellante gehoord en een buurtbewoner telefonisch gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 september 2015. 1.3. Bij besluit van 17 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 december 2015, heeft het college de uitkering van appellant per 14 september 2015 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant tijdens het huisbezoek van 14 september 2015 de op hem rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden door te weigeren een kast open te maken. Hierdoor kan het recht op uitkering niet langer worden vastgesteld. Het tegen het besluit van 4 december 2015 ingestelde beroep hebben appellanten ingetrokken. 1.4. Na 14 september 2015 hebben de medewerkers een vervolgonderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering in de voorgaande periode. In dat kader hebben de medewerkers onder meer bankafschriften over de gehele uitkeringsperiode opgevraagd, appellant op 28 september 2015 gehoord, getracht appellante op 21 oktober 2015 te horen op haar werk, op 29 oktober 2015 drie buurtbewoners van het uitkeringsadres gehoord en op 3 november 2015 een buurtbewoner van het adres van appellante gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een vervolgrapport van 10 november 2015. 1.5. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 20 november 2015 de uitkering van appellant over de periode van 14 september 2013 tot en met 13 september 2015 in te trekken en de over die periode verleende uitkering tot een bedrag van € 28.871,71 bruto van appellant terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van 20 november 2015 heeft het college dit bedrag mede van appellante teruggevorderd. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 26 april 2016 (bestreden besluit 1) en 2 mei 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellanten vanaf 14 september 2013 een gezamenlijke huishouding voeren op het uitkeringsadres. Het inkomen van appellanten is hoger dan de voor appellant geldende grondslag. Hierdoor had appellant geen recht op een uitkering. Uit getuigenverklaringen is gebleken dat appellante al twee jaar voorafgaand aan het onderzoek van 14 september 2015 niet meer woonachtig was op haar adres in Amsterdam. Verder is uit getuigenverklaringen gebleken dat appellanten in diezelfde twee jaar hebben samengewoond op het uitkeringsadres. De getuigenverklaringen worden ondersteund door het waterverbruik op het uitkeringsadres, dat vanaf 2013 overeenkomt met dat van een tweepersoonshuishouden. Uit de Facebook-accounts van appellanten is verder gebleken dat zij al vanaf juli 2013 een relatie hebben. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hadden een LAT-relatie waarbij zij ieder apart bleven wonen. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellanten beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning op het uitkeringsadres. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Het besluit tot intrekking van een uitkering is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het uitkering verlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het uitkering verlenend orgaan rust. 4.2. In hoger beroep is in geschil of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten in de periode van 14 september 2013 tot en met 13 september 2015 (periode in geding) een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres. 4.3. In artikel 3, derde lid, van de IOAZ is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Aan beide criteria moet zijn voldaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante in de periode in geding haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. 4.4. Appellanten stonden in de periode in geding op verschillende adressen in de BRP ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat het uitkeringsadres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. 4.5. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bieden de verklaringen van buurtbewoners van het uitkeringsadres, de verklaringen van buurtbewoners van het adres van appellante en de gegevens over het waterverbruik op het uitkeringsadres, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende grondslag voor de conclusie dat behalve appellant ook appellante hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres. Hiertoe is het volgende van betekenis. 4.6. De verklaringen van buurtbewoners van het uitkeringsadres zijn onvoldoende gedetailleerd en specifiek. Uit de verklaringen van de bewoners van de adressen [adres 3] , [huisnummer 1] en [huisnummer 2] blijkt onvoldoende of wat wordt verklaard over de bewoning door appellante van de woning op het uitkeringsadres berust op concrete, feitelijke waarnemingen of slechts op een indruk. Dat appellante af en toe wordt gezien met een hondje en soms bij appellant achterop een motor zit, is onvoldoende. In dit verband is van belang dat appellanten niet betwisten dat appellante regelmatig bij appellant verblijft. Dit klemt te meer nu de bewoner van Verzetstraat [huisnummer 3] , de enige woning in hetzelfde portiek als de woning van het uitkeringsadres, niets wist over de bewoning van het uitkeringsadres en de bewoonster van nummer [huisnummer 4] bij het uitkeringsadres wel eens een man heeft gezien, maar ook wel eens twee vrouwen.