Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2019-07-08
ECLI:NL:CRVB:2019:2381
Bestuursrecht
176103 AKW Datum uitspraak: 8 juli 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2017, 16/6922 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.J.A. Erkens-Hanssen. 4.2. Hieruit volgt dat appellant vanaf 1 januari 2006 niet meer verzekerd was voor de AKW, maar dat hij, zolang hij aan de voorwaarden hiervoor voldeed, nog wel recht had op kinderbijslag. Vanaf de datum waarop [A] 18 jaar werd, voldeed appellant niet meer aan de voorwaarden, zodat de Svb de kinderbijslag terecht heeft beëindigd. 4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Benek in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2019. (getekend) H. Benek (getekend) J. Smolders lh 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant woont in Marokko en ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij heeft voor zijn kinderen [A] , [B] , [C] , [D] , [E] en [F] , geboren op respectievelijk [datum 1] 1997, [datum 2] 2000, [datum 3] 2001, [datum 4] 2003, [datum 5] 2008 en [datum 6] 2013, kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen. 1.2. Bij besluit van 24 februari 2016 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het eerste kwartaal van 2016 geen kinderbijslag meer krijgt. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2016 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant op grond van de overgangsregeling na 1 januari 2000 verzekerd is gebleven voor de AKW, zolang het jongste kind waarvoor hij over het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag nog geen 18 jaar is. Nu [A] , het jongste kind waarvoor appellant op de dag vóór 1 januari 2000 kinderbijslag kreeg, op [datum 1] 2015 18 jaar is geworden, is appellant vanaf het eerste kwartaal van 2016 niet meer verzekerd voor de AKW. 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de Svb het recht op kinderbijslag voor zijn kinderen niet had mogen beëindigen omdat appellant verzekerd is voor de AKW, zijn kinderen nog steeds naar school gaan en appellant geen andere inkomsten ontvangt. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.