Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2019-02-27
ECLI:NL:CRVB:2019:650
Bestuursrecht
17/4454 WW Datum uitspraak: 27 februari 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2017, 16/8146 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Namens appellant heeft mr. S.O. Reiziger hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reiziger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.P.M. Zeijen en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019. H.G. Rottier De griffier is verhinderd te ondertekenen. VC 1.1. Appellant heeft van 1 april 2015 tot 6 juli 2015 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, werkzaamheden verricht als accountmanager bij [naam B.V. 1] te [vestigingsplaats] ( [naam B.V. 1] ). Bij vonnis van 14 juli 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland [naam B.V. 1] in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 16 juli 2015 heeft de curator de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [naam B.V. 1] opgezegd. 1.2. Appellant heeft op 4 augustus 2015 bij het Uwv een aanvraag ingediend om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van [naam B.V. 1] wegens betalingsonmacht over te nemen. Bij besluit van 5 november 2015 heeft het Uwv aan appellant een uitkering wegens betalingsonmacht toegekend over de periode van 1 april 2015 tot en met 27 augustus 2015, met overname van de loonverplichtingen over de periode 17 april 2015 tot en met 27 augustus voor een bedrag van € 14.651,82 (€ 13.782,38 bruto en € 869,44 netto). 1.3. Naar aanleiding van een melding op 29 januari 2016 van een medewerker van de afdeling faillissementen van het Uwv dat appellant naast de uitkering wegens betalingsonmacht loon van verschillende opdrachtgevers zou hebben ontvangen, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld. De resultaten hiervan heeft het Uwv neergelegd in een onderzoeksrapport van 5 april 2016. Van de onderzoeksresultaten maken onder meer deel uit bankafschriften van appellant waaruit blijkt dat er geen salaris door [naam B.V. 1] is overgemaakt op het banknummer van appellant en dat er in de maanden april tot en met juli 2015 rond dezelfde datum van de maand bedragen zijn bijgeschreven met de vermelding salaris die afkomstig waren van [naam B.V. 2] ( [naam B.V. 2] ). Daarnaast bevat het onderzoeksrapport een verklaring van 16 februari 2016 van [X.] , directeur van [naam B.V. 1] , een verklaring van 16 februari 2016 van [Y.] , directeur van [naam B.V. 2] , en een verklaring van appellant van 17 maart 2016. Volgens het Uwv blijkt uit deze gegevens dat appellant over de maanden april, mei, juni en juli 2015 betalingen van [naam B.V. 2] met de omschrijving ‘salaris’ heeft ontvangen. 1.4. Bij besluit van 14 april 2016 heeft het Uwv de uitkering wegens betalingsonmacht herzien per 17 april 2015 en de te veel verstrekte uitkering van € 14.651,82 van appellant teruggevorderd omdat is gebleken dat appellant in strijd met zijn inlichtingenplicht niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij van [naam B.V. 2] loonbetalingen heeft ontvangen voor de uren die hij voor [naam B.V. 1] heeft gewerkt. Bij besluit van 22 april 2016 is het Uwv overgegaan tot invordering van het teruggevorderde bedrag. 1.5. Bij beslissing op bezwaar van 31 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 14 april 2016 ongegrond en tegen het besluit van 22 april 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingen- en mededelingsplicht heeft geschonden doordat hij niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij in de periode van 29 april 2015 tot en met 28 juli 2015 betalingen van [naam B.V. 2] heeft ontvangen met de omschrijving ‘salaris’ voor de uren die hij bij [naam B.V. 1] dan wel [naam B.V. 2] heeft gewerkt. Het Uwv acht het aannemelijk dat het loonbetalingen zijn. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is het Uwv niet gebleken. Het bezwaar tegen het invorderingsbesluit van 22 april 2016 heeft het Uwv niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant met het Uwv een betalingsregeling heeft getroffen en niet is gebleken dat appellant hier niet aan kon voldoen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat er geen recht op WW-uitkering bestond wegens betalingsonmacht. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat appellant in de maanden april, mei, juni en juli 2015 betalingen heeft ontvangen van [naam B.V. 2] die kunnen worden aangemerkt als loonbetalingen voor door hem voor [naam B.V. 1] verrichte arbeid. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat een viertal van de betalingen door [naam B.V. 2] op de bankafschriften van appellant is aangemerkt als salaris. De rechtbank heeft verder van belang geacht de verklaring die [X.] als directeur van [naam B.V. 1] tegenover een themaonderzoeker van het Uwv heeft afgelegd, te weten dat appellant van 17 april 2015 tot 28 augustus 2015 voor [naam B.V. 1] heeft gewerkt en daarna plotseling is gestopt en dat door financiële problemen een bevriende relatie van [naam B.V. 1] , [naam B.V. 2] , het salaris van appellant van april tot en met augustus 2015 heeft betaald. Deze verklaring is bevestigd door [Y.] als directeur van [naam B.V. 2] . Ook heeft de rechtbank meegewogen dat mr. [Z.], de toenmalige advocaat van appellant ([Z.]), in een civiele procedure tussen appellant en [X.] en [Y.] , in een brief van 21 januari 2016 heeft vermeld dat appellant de betalingen van [naam B.V. 2] heeft ontvangen in het kader van zijn arbeidsovereenkomst met [naam B.V. 1] wat volgens [Z.] blijkt uit de data waarop appellant de betalingen ontving. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de handelingen van [Z.] aan appellant worden toegerekend. In de gedingstukken heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat de betalingen geen loonbetalingen betroffen maar betalingen voor privéwerkzaamheden. Het Uwv was gehouden om de WW-uitkering van appellant over de betrokken periode te herzien en om over te gaan tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 14.651,82. 3.1. Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het herzienings- en terugvorderingsbesluit van het Uwv. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de betalingen die hij over de maanden april, mei, juni en juli 2015 van [naam B.V. 2] heeft ontvangen niet zijn aan te merken als loonbetalingen maar dat dit betalingen waren voor werkzaamheden die hij als privépersoon voor [naam B.V. 2] heeft verricht. Appellant heeft gesteld dat [X.] niet de functie had van directeur van [naam B.V. 1] . Verder heeft appellant erop gewezen dat tussen [naam B.V. 2] en hem geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Ook heeft appellant gewezen op een verklaring van de curator van [naam B.V. 1] van 20 februari 2017 dat van loonbetalingen niet is gebleken. Verder heeft appellant erop gewezen dat zijn netto salaris bij [naam B.V. 1] € 1.669,58 per maand bedroeg, terwijl hij van [naam B.V. 2] een bedrag van € 1.890,92 heeft ontvangen voor zijn diensten als privépersoon. Daarnaast heeft appellant gesteld dat zijn toenmalige advocaat [Z.] zonder zijn toestemming en zonder voorafgaand overleg de brief van 21 januari 2016 heeft verzonden. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 4.1 van de aangevallen uitspraak.