Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2020-07-07
ECLI:NL:CRVB:2020:1433
Bestuursrecht
17 7798 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Datum uitspraak: 7 juli 2020 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 oktober 2017, 17/254 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college) Namens appellant heeft mr. A.G. Baan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Namens appellant is [Z.] van Beschermingsbewind Oost-Nederland B.V. verschenen, bijgestaan door mr. P.G. Blom, jurist bij het kantoor van mr. Baan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 13 december 2016; bepaalt dat het college alsnog een bedrag van € 663,07 zal doen bijschrijven op de beheerrekening en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 december 2016; veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.050,-; bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2020. (getekend) P.W. van Straalen De griffier is verhinderd te ondertekenen. 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving samen met zijn toenmalige partner (X) van 15 juli 2014 tot en met 30 september 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. 1.2. De kantonrechter van de rechtbank Overijssel heeft bij beschikkingen van 23 augustus 2016 alle goederen die appellant en X toebehoorden of zouden gaan toebehoren onder bewind gesteld, omdat zij zelf niet in staat waren gebleken hun vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De kantonrechter heeft Beschermingsbewind Oost-Nederland B.V. tot bewindvoerder benoemd. De bewindvoerder heeft het college bij brief van 31 augustus 2016 op de hoogte gesteld van het feit dat appellant en X onder bewind waren gesteld en daarbij verzocht de bijstand voortaan over te maken op bankrekeningnummer (…)022 (beheerrekening). Bij besluit van 8 september 2016 heeft het college appellant en X meegedeeld dat de bijstand met ingang van 1 september 2016 op de beheerrekening zal worden overgemaakt. 1.3. Op 28 september 2016 heeft het college de helft van de bijstand over de maand september 2016, een bedrag van € 663,07, overgemaakt op bankrekeningnummer (…)965 (leefgeldrekening), in plaats van op de beheerrekening. 1.4. De bewindvoerder heeft namens appellant en X het college bij brief van 5 oktober 2016 verzocht het in 1.3 genoemde bedrag alsnog over te maken op de beheerrekening. 1.5. Het college heeft de brief van 5 oktober 2016 aangemerkt als bezwaar tegen een op de wijze van betaling van de bijstand betrekking hebbende handeling als bedoeld in artikel 79 van de PW en dit bezwaar bij besluit van 13 december 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat hij bevrijdend heeft betaald. Het geld is overgemaakt op een rekening die aan appellant en X toekwam en zij hebben de betaling niet geweigerd. Zij konden over het bedrag van € 663,07 beschikken en hebben dat ook gedaan. Zij hebben het geld immers opgenomen en voor eigen doeleinden gebruikt. Dit bedrag hoeft daarom niet nog een keer te worden betaald. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het college, door de helft van de bijstand over september 2016 over te maken op de leefgeldrekening, niet bevrijdend heeft betaald. Het college moet daarom dat deel van de bijstand alsnog op de beheerrekening overmaken. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Op grond van artikel 45, eerste lid, van de PW wordt de bijstand maandelijks betaald. Dit gebeurt op grond van artikel 4:89, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, door bijschrijving op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. 4.2. Uit artikel 1:438, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder. Anders dan waarvan het college uitgaat, is voor het antwoord op de vraag of het college jegens de bewindvoerder bevrijdend heeft betaald niet van belang of appellant en X over het bedrag van € 663,07 konden beschikken. Appellant en X waren immers onder bewind gesteld. Zij waren niet inningsbevoegd. Het college moest op grond van artikel 1:438 van het BW betalen aan de bewindvoerder. Dat heeft het college ook gedaan. Het college heeft het bedrag van € 663,07 immers doen bijschrijven op de leefgeldrekening en de bewindvoerder heeft ook het beheer over die rekening. De omstandigheid dat appellant en X het volledige bedrag hebben opgenomen en uitgegeven, nog voordat de bewindvoerder kennis had genomen van de betaling op de leefgeldrekening, doet er niet aan af dat het bedrag in de beschikkingsmacht van de bewindvoerder is gekomen. 4.3.1. Ingevolge artikel 6:114, eerste lid, van het BW kan de schuldenaar, indien ten name van de schuldeiser een rekening bestemd voor girale betaling bestaat, de verbintenis voldoen door het verschuldigde bedrag op die rekening te doen bijschrijven, tenzij de schuldeiser betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten. 4.3.2. De verbintenis tot betaling van een geldsom wordt niet voldaan, wanneer de schuldenaar ondanks een geldige uitsluiting het verschuldigde bedrag toch doet bijschrijven op de uitgesloten rekening. De schuldeiser is daarom bevoegd een dergelijke betaling te weigeren. Indien hij dat doet, zal de schuldenaar de verbintenis alsnog moeten nakomen. Is het bedrag ondanks de uitsluiting van de rekening toch volledig of ten dele ter beschikking van de schuldeiser gekomen, dan zal de schuldeiser de betaling op die rekening in beginsel slechts kunnen weigeren met terugbetaling van dat waarmee hij aldus is verrijkt. Zie het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7207. 4.4.1. De leefgeldrekening waarop het college de bijstand heeft doen bijschrijven viel onder het beheer van de bewindvoerder. De bewindvoerder had betaling van de bijstand op de leefgeldrekening uitgesloten. Gelet op 4.3.1 kon het college de verplichting de bijstand te betalen daarom niet voldoen door betaling op de leefgeldrekening. Voor het antwoord op de vraag of het college bevrijdend heeft betaald is, gelet op 4.3.2, voorts van belang of de bewindvoerder de betaling op de leefgeldrekening heeft geweigerd. Uit het arrest van de Hoge Raad vloeit voort dat de schuldeiser, in dit geval de bewindvoerder, de betaling in beginsel slechts kan weigeren met terugbetaling van dat waarmee hij is verrijkt. De bewindvoerder heeft het bedrag van € 663,07 niet terugbetaald aan het college. Hij heeft de betaling op de leefgeldrekening dan ook niet geweigerd. 4.4.2. Wat in 4.4.1 is overwogen leidt ertoe dat het college bevrijdend zou hebben betaald door het bedrag van € 663,07 te doen bijschrijven op de leefgeldrekening. Het college heeft echter gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door de bijstand te doen bijschrijven op deze rekening. Het college was immers bekend met het bewind en ook met het feit dat de bewindvoerder betaling van bijstand op de leefgeldrekening had uitgesloten. Toch heeft het college het bedrag van € 663,07, in strijd met het besluit van 8 september 2016 om de bijstand met ingang van 1 september 2016 op de beheerrekening over te maken, op de leefgeldrekening doen bijschrijven. Het college kon weten dat dit afbreuk zou kunnen doen aan de bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van appellant, met het oog waarop de kantonrechter het bewind nu juist heeft uitgesproken. Die vermogensrechtelijke belangen van appellant zijn hier ook daadwerkelijk in de knel geraakt. Appellant en X, die zelf niet in staat waren hun vermogensrechtelijke belangen op een behoorlijke manier waar te nemen, hadden het bedrag van € 663,07 al opgenomen en uitgegeven voordat de bewindvoerder kennis had genomen van de bijschrijving. Indien de bewindvoerder dat bedrag zou hebben moeten terugbetalen, dan zou dit met zich hebben gebracht dat de bewindvoerder dat bedrag niet zou hebben kunnen gebruiken voor de uitgaven die hij volgens het opgestelde budgetplan moest voldoen. De Raad ziet in deze omstandigheden aanleiding om, voor het antwoord op de vraag of het college bevrijdend heeft betaald, bepalend te achten of het betaalde appellant en X tot werkelijk voordeel heeft gestrekt. De Raad zoekt hierbij aansluiting bij artikel 6:31 van het BW. Aan dat artikel ligt immers een met het instellen van beschermingsbewind vergelijkbare beschermingsgedachte ten grondslag.