Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2020-02-19
ECLI:NL:CRVB:2020:371
Bestuursrecht
Datum uitspraak: 19 februari 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 juni 2017, 16/5437 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (werkgever) [werknemer] te [woonplaats] (werknemer) Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens werkgever heeft mr. drs. E.C. Spiering een zienswijze ingediend. Namens werknemer heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, een zienswijze ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2019. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. Namens werkgever is verschenen mr. drs. E.C. Spiering. Werknemer is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.B. Beelaard. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens het punt van de bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht; bepaalt dat het beroep tegen het besluit van 24 mei 2016 ter behandeling als bezwaarschrift betreffende het daarin opgenomen standpunt over de maatregel wordt doorgezonden naar het Uwv: veroordeelt het Uwv in de proceskosten van werkgever tot een bedrag van € 1.050,-; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van werknemer tot een bedrag van € 2.100,-. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en T. Dompeling en M.A. Schneider als leden, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) E. Diele 1.1. Werknemer is werkzaam geweest als parkeercontroleur/handhaver voor 36 uur per week. Op 17 december 2013 heeft hij zich ziek gemeld met fysieke klachten na een verkeersongeval. Werknemer heeft op 31 augustus 2015 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluiten van 27 oktober 2015 heeft het Uwv de behandeling van de WIA-aanvraag uitgesteld en de periode waarin werkgever aan werknemer loon moet doorbetalen verlengd tot 28 november 2016. 1.2. Met ingang van 8 januari 2016 is een eerder aan werknemer opgelegd voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd, waarmee een einde is gekomen aan zijn dienstverband. Werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen het tenuitvoerleggingsbesluit. 1.3. Op 25 februari 2016 heeft werknemer het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft vastgesteld dat bij werknemer sprake is van verminderde belastbaarheid. De beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 25 februari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 42,64%. Bij besluit van 4 maart 2016 heeft het Uwv werknemer met ingang van 8 januari 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Daarbij is een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80% vastgesteld. 1.4. Werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 maart 2016. Werkgever heeft gesteld dat aan werknemer geen WIA-uitkering toegekend had mogen worden op grond van artikel 88 van de Wet WIA in samenhang met artikel 28, tweede lid, van de Wet WIA. Werkgever heeft gesteld dat het Uwv de maatregel van blijvende gehele weigering van de uitkering had moeten opleggen. Volgens werkgever frustreerde werknemer de re‑integratie en zijn hierdoor wezenlijke kansen gemist. 1.5. Bij besluit van 24 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van werkgever tegen het besluit van 4 maart 2016 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is vastgesteld dat werknemer per 8 januari 2016 (de datum van het einde van het dienstverband) meer dan 35% arbeidsongeschikt was. Verder heeft het Uwv meegewogen dat werknemer bezwaar heeft gemaakt tegen het ontslag. Er was dan ook geen aanleiding om een maatregel op te leggen in verband met het – tijdens de loonsanctieperiode – zonder deugdelijke grond nalaten verweer te voeren tegen of in te stemmen met de beëindiging van de dienstbetrekking. 2.1. Werkgever heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. In beroep heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit een inhoudelijk oordeel is gegeven over een verzoek van werkgever om een maatregel op te leggen, terwijl hierover nog niet eerder een (schriftelijke) beslissing was gegeven. Het Uwv heeft gesteld dat het bezwaarschrift van werkgever als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten worden opgevat en dat het bestreden besluit dus als een primair besluit op die aanvraag is te beschouwen. 2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van werkgever tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven om een nieuw besluit op het bezwaar van werkgever te nemen, met bepalingen over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat een (primair) besluit tot toekenning van een WIA-uitkering tevens kan worden opgevat als een besluit om van het opleggen van een maatregel af te zien en dat het tegen een dergelijk besluit door een werkgever ingebrachte bezwaar niet is aan te merken als een aanvraag om alsnog een maatregel op te leggen. 3.1. Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met de toekenning van een WIA-uitkering impliciet is besloten om geen maatregel op te leggen. Ter zitting heeft het Uwv verzocht om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om te beoordelen of een maatregel opgelegd had moeten worden. 3.2. Werkgever heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 3.3. Werknemer heeft betoogd dat er geen grond is voor het opleggen van een maatregel op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wet WlA. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet WIA voorkomt de verzekerde het ontstaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde arbeidsgeschiktheid en beperkt het bestaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde arbeidsgeschiktheid, voor zover dit redelijkerwijs van hem verwacht mag worden. Op grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA is de verzekerde gedurende de (verlengde) wachttijd verplicht om voldoende re‑integratie-inspanningen te verrichten. 4.2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet WIA is de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering verplicht in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen. In artikel 29, tweede lid, onder a, van de Wet WIA is bepaald dat, ter naleving van de plicht bedoeld in het eerste lid, de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering in elk geval verplicht is zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het Uwv of de eigenrisicodrager of het reïntegratiebedrijf in opdracht van het Uwv of de eigenrisicodrager, daartoe opdracht geeft en zijn genezing niet te belemmeren. 4.3. Op grond van artikel 88, eerste lid, van de Wet WIA weigert het Uwv een uitkering op grond van deze wet geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk indien de verzekerde verplichtingen bedoeld in artikel 28, 29 of 30 niet of niet behoorlijk is nagekomen. Op grond van artikel 90, eerste lid, van de Wet WIA wordt een maatregel als bedoeld in artikel 88 afgestemd op de ernst en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. In het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten zijn nadere regels gesteld over de hoogte en duur van onder meer de op grond van artikel 88 van de Wet WIA op te leggen maatregelen. 4.4. De Memorie van Toelichting bij de Wet WIA vermeldt onder paragraaf 6.6.1, Sanctiebeleid Uwv, onder meer het volgende (TK 2004-2005, 30034, nr. 3, p. 55): “Het Uwv is bevoegd om sancties (maatregelen en bestuurlijke boeten) op te leggen. Dit kunnen sancties zijn in verband met het niet of in onvoldoende mate (bijvoorbeeld het niet tijdig) naleven van verplichtingen in het kader van de het recht en de hoogte van de uitkering. (…) Daarnaast kan het gaan om sancties die worden opgelegd op het moment dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet of in onvoldoende mate meewerkt aan zijn re-integratie. Tegen de beslissing tot sanctieoplegging kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte uiteraard bezwaar maken en daarna eventueel beroep instellen.” 4.5. In, onder meer, zijn uitspraak van 27 maart 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1096) heeft de Raad overwogen dat de Wet WIA voorziet in aparte besluitvorming over enerzijds het ontstaan, voortduren, eindigen en herleven van het recht op uitkering alsmede of sprake is van duurzaamheid en anderzijds over de verplichtingen van de verzekerde en het opleggen van sancties bij overtreding van die verplichtingen.