ECLI:NL:CRVB:2021:1944
193907 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2019, 18/3772 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 13 juli 2021
Zitting hebben: P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en K.H. Sanders als leden
Griffier: B. van Dijk
Appellant heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr B. Anik, advocaat. Namens de Svb is mr. P.C.A. Buskens verschenen.
Dringende redenen om van terugvordering af te zien doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.
Alleen al gelet op het feit dat appellant over vermogen in de vorm van de onroerende zaken beschikt, zijn in wat appellant stelt geen dringende redenen gelegen om van terugvordering af te zien. Niet in geschil is dat appellant weigert die onroerende zaken te verkopen. Daar komt bij dat de terugvordering zich pas bij de invordering doet voelen en bij de invordering geniet appellant de bescherming van de beslagvrije voet.
Dit betekent dat de in hoger beroep aangevoerde grond niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Voor een kostenveroordeling bestaat in dat geval geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) B. van Dijk (getekend) P.W. van Straalen
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen, omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van onroerende zaken in Turkije.