ECLI:NL:CRVB:2022:1407
212943 ZW
Datum uitspraak: 23 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2021, 20/879 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2022. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2022.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) L.R. Kokhuis
ECLI:NL:CRVB:2020:2782.
1.1. Appellant is werkzaam geweest als algemeen medewerker bouwplaats voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 26 april 2019 geëindigd. Appellant heeft zich op 20 mei 2019, terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld met psychische en fysieke klachten. Het Uwv heeft appellant per 26 juli 2019, na het bereiken van de maximale uitkeringstermijn van de WW, een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Op 15 januari 2020 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 20 januari 2020 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van algemeen medewerker bouwplaats. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 januari 2020 de ZW-uitkering van appellant per 20 januari 2020 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 14 februari 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 13 februari 2020 van een arts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit rechtspraak van de Raad volgt dat in het kader van artikel 19 van de ZW een arts die staat ingeschreven in het specialistenregister van de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie (SGRC) en werkzaam is voor het Uwv, bevoegd is om zelfstandig medisch onderzoek te verrichten gelet op artikel 28 van de ZW en de Controlevoorschriften Ziektewet 2010 (Controlevoorschriften). Anders dan appellant meent, bestaat er in dit geval dus geen grond voor het oordeel dat het geneeskundig onderzoek dient plaats te vinden door een verzekeringsarts. Dat hierop een uitzondering moet worden gemaakt voor de bezwaarfase kan niet worden afgeleid uit het wettelijk en regelgevend kader of de daarop betrekking hebbende rechtspraak van de Raad. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat T.S. de Lange ten tijde van het onderzoek in bezwaar werkzaam was als arts in opleiding tot verzekeringsarts en tot 21 maart 2020 – toen hij de opleiding heeft afgerond – als zodanig in het daarvoor bestemde opleidingsregister stond geregistreerd. Op grond van de Controlevoorschriften was hij dus bevoegd om zelfstandig medisch onderzoek te verrichten. Bovendien is het rapport van De Lange digitaal gecontrasigneerd door verzekeringsarts R.M.J. Janssens. Het Uwv heeft toegelicht dat een ‘natte handtekening’ vanwege de digitale werkwijze niet langer mogelijk is, maar dat het een systematiek heeft ontwikkeld om te blijven borgen dat het benodigde contraseign wordt verricht door degene die daartoe bevoegd is. Die systematiek bestaat eruit dat alleen de geregistreerd verzekeringsarts bij akkoord bevinden een medisch rapport definitief kan maken, waarna het rapport automatisch binnen het systeem verplaatst naar het elektronisch archief en niet kan meer worden gewijzigd, ook niet door de geregistreerde verzekeringsarts. De rechtbank heeft erop gewezen dat de Raad deze werkwijze bij uitspraak van 11 november 2020 heeft bevestigd. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De rechtbank is evenmin gebleken dat de arts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant op de datum in geding, zijnde 20 januari 2020. Evenmin is de rechtbank gebleken dat de arts bezwaar en beroep van een onjuiste maatstaf arbeid is uitgegaan.
3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. In dat kader heeft appellant gesteld dat het onderzoek in de primaire fase weliswaar is uitgevoerd door een verzekeringsarts, maar dat het onderzoek in de bezwaarfase (slechts) heeft plaatsgevonden door een arts bezwaar en beroep, onder contraseign van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volgens appellant dient het onderzoek in bezwaar ook in ZW-zaken, gelet op de in bezwaar vereiste volledige heroverweging en om de zorgvuldigheid van de medische beoordeling te waarborgen, uitsluitend verricht te worden door een verzekeringsarts en niet door een basisarts, nu deze lager in rang is. Bovendien is de vraag wat de waarde is van een contraseign, nu dit contraseign slechts een beoordeling van het medisch rapport op hoofdlijnen is waarbij wordt getoetst of de inhoud logisch en consistent is. Het medisch onderzoek is volgens appellant ook onzorgvuldig omdat de verzekeringsarts geen beeld had van het eigen werk van appellant, het onderzoek door de verzekeringsarts (te) summier was en de door hem genoteerde (onderzoeks)bevindingen niet juist zijn en de conclusies onvoldoende gemotiveerd zijn. Appellant heeft tot slot, mede onder verwijzing naar de in bezwaar en beroep overgelegde medische stukken, herhaald dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten en dat hij niet in staat is arbeid te verrichten.
3.2. Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar een rapport van 28 februari 2022 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.1.2. Op grond van artikel 28 van de ZW is de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht, zo dikwijls dit nodig wordt geoordeeld, zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het Uwv aangewezen arts, en in het algemeen de voorschriften van de arts die ertoe strekken om een geneeskundig onderzoek mogelijk te maken, op te volgen.
4.1.3. In het ten tijde in geding van toepassing zijnde artikel 1, aanhef en onder b, van de Controlevoorschriften is bepaald dat in dit besluit onder verzekeringsarts wordt verstaan een arts, werkzaam voor het UWV, die ingeschreven staat in het specialistenregister van de SGRC, of in opleiding daarvoor is.
4.2. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.2.1. In dit geval is sprake van een beëindiging van een ZW-uitkering op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW. In de primaire fase is het medisch onderzoek verricht door een verzekeringsarts. In de bezwaarfase is het medisch onderzoek verricht door een arts bezwaar en beroep. Niet in geschil is dat deze arts bezwaar en beroep ten tijde van het onderzoek werkzaam was bij het Uwv als arts in opleiding tot verzekeringsarts om te worden ingeschreven in het in de Controlevoorschriften genoemde specialistenregister. Met de rechtbank en onder verwijzing naar de in 4.1 genoemde bepalingen wordt geoordeeld dat daarmee in dit geval is voldaan aan het vereiste van artikel 1, aanhef en onder b, van de Controlevoorschriften. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Controlevoorschriften niet van toepassing zijn in de bezwaarfase. De arts bezwaar en beroep, in opleiding tot verzekeringsarts, was dan ook bevoegd een zelfstandig medisch onderzoek te verrichten. In deze situatie was een contraseign van een verzekeringsarts bezwaar en beroep strikt genomen niet nodig.