Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2022-08-16
ECLI:NL:CRVB:2022:1901
Bestuursrecht
204423 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 november 2020, 19/3297 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college) Datum uitspraak: 16 augustus 2022. Namens appellante heeft mr. V.L. van Wieringen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft aanvullende stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2022. Voor appellante is F.E.H. Donleben verschenen, als opvolgend gemachtigde van mr. Van Wieringen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Polman. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van A. Hulskes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2022. (getekend) A.J. Schaap (getekend) A. Hulskes 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Het college heeft bij besluit van 6 februari 2018 (toekenningsbesluit) aan appellante met ingang van 6 januari 2018 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) toegekend naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar. Daarnaast heeft het college in het toekenningsbesluit aanvullende bijzondere bijstand toegekend op grond van artikel 12 van de PW. Bij besluit van 9 mei 2018 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het toekenningsbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat appellante nog recht had op een eenmalige nabetaling voor aanvullende bijzondere bijstand. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 mei 2018. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 3 april 2019 (met nummer 18/1836) niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen beroepsgronden had ingediend. 1.2. Appellante heeft op 9 november 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor onder andere de kosten van de nabetaling op grond van de jaarrekening die zij van haar energiemaatschappij heeft ontvangen en voor de kosten van het verplicht eigen risico dat zij aan haar zorgverzekeraar moet betalen in verband met ambulancevervoer. Bij besluit van 5 december 2018, na bezwaar in stand gelaten bij besluit van 2 augustus 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten afgewezen. Het college heeft aan de afwijzing van deze aanvragen ten grondslag gelegd dat het incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van bestaan zijn, waarvoor appellante moet reserveren en dat zij op grond van artikel 35 van de PW geen recht heeft op bijzondere bijstand. Aan de afwijzing van bijzondere bijstand voor het verplicht eigen risico heeft het college daarnaast ten grondslag gelegd dat sprake is van een voorliggende voorziening en dat appellante op grond van artikel 15 van de PW geen recht heeft op bijzondere bijstand voor het verplicht eigen risico. 2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand voor de energiekosten ongegrond is verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, kort gezegd, dat het college het besluit zowel ten aanzien van de aanvraag van bijzondere bijstand voor energiekosten als voor het verplicht eigen risico, ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 35 van de PW in plaats van op artikel 12 van de PW. De rechtbank heeft het college opgedragen om over de aanvraag van bijzondere bijstand voor de energiekosten een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor het verplicht eigen risico is ook gebaseerd op artikel 15, eerste lid, van de PW. Het college heeft terecht deze afwijzingsgrond gehanteerd. Er is geen aanleiding om dringende redenen in de zin van artikel 16 van de PW aan te nemen op grond waarvan toch de gevraagde bijstand zou moeten worden verleend. Van dringende redenen is sprake ingeval van een acute noodsituatie, dat wil zeggen een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben, welke noodsituatie alleen door verlening van bijstand te verhelpen is. Van een dergelijke noodsituatie was geen sprake omdat appellante ook zonder bijstandsverlening de acute medische zorg heeft ontvangen die in haar situatie noodzakelijk was. Ten slotte heeft de rechtbank het volgende overwogen. Appellante heeft beroepsgronden aangevoerd tegen het besluit op bezwaar van 9 mei 2018. De rechtbank heeft echter eerder op 3 april 2019 dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee staat het besluit van 9 mei 2018 in rechte vast. De voor appellante in dat besluit per 6 januari 2018 gehanteerde bijstandsnorm voor een jongmeerderjarige en de toegekende aanvullende bijstand op grond van artikel 12 van de PW kunnen dus in de voorliggende procedure niet meer aan de orde worden gesteld. 2.1. Het college heeft bij besluit van 14 december 2020 (nader besluit) uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank door het bezwaar tegen de weigering van bijzondere bijstand voor de energiekosten alsnog gegrond te verklaren en hiervoor een bedrag van € 411,87 aan appellante toe te kennen. 3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Zoals tijdens de zitting is besproken is de bijzondere bijstand voor energiekosten niet meer in geschil. Het college heeft namelijk alsnog bijzondere bijstand voor deze kosten toegekend en appellante heeft de hoogte van het toegekende bedrag niet bestreden. Het nadere besluit komt tegemoet aan de bezwaren van appellante. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt dit besluit, anders dan eerder is gecommuniceerd, daarom niet in de beoordeling betrokken. Hieruit volgt dat het in verband met het nadere besluit toegekende nummer 21/1373 PW komt te vervallen. 4.2. Dit betekent dat het hoger beroep alleen nog betrekking heeft op de afwijzing van bijzondere bijstand voor het eigen risico voor de ziektekostenverzekering in verband met de ambulancekosten. 4.3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de voor haar geldende jongerennorm destijds € 259,78 bedroeg, wat veel lager is dan de norm die geldt voor bijstandsgerechtigden die 21 jaar of ouder zijn. De lagere norm voor jongeren is afgestemd op de onderhoudsplicht van de ouders. Verondersteld wordt dat de ouders de uitkering aanvullen. Als dat niet kan omdat de ouders onvoldoende middelen hebben, niet meer leven of de relatie met de ouders verstoord is, kan de gemeente de uitkering aanvullen in de vorm van bijzondere bijstand. Het college heeft dat ook gedaan maar heeft daarbij de aanvulling ten onrechte beperkt tot de woonlasten, zonder rekening te houden met de overige kosten van levensonderhoud van appellante. Appellante kan van haar uitkering net leven maar heeft geen geld over om te reserveren voor onverwachte incidentele kosten zoals het eigen risico voor de ziektekostenverzekering. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 april 2019 het beroep tegen de toekenning van de bijstand ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Haar toenmalige gemachtigde heeft in die beroepszaak verzuimd om de gronden van beroep in te dienen. Zij kan geen contact meer met hem krijgen. Bij brief van 22 juni 2021 (de Raad begrijp uit de aangehechte brief dat is bedoeld: 22 juni 2020) heeft de rechtbank het verzoek van appellante ingewilligd om bezwaren van 12 februari 2019 en 28 mei 2019 in beroep naar voren te mogen brengen. Volgens appellante is de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte voorbij gegaan aan die brief. Verder is volgens appellante van belang dat zij, ondanks een ingebrekestelling op 18 oktober 2018 en een herhaald verzoek van 28 mei 2019, pas op 5 juni 2019 de stukken van het college heeft ontvangen met betrekking tot haar aanvraag om bijstand, terwijl de uitspraak dateert van 3 april 2019. Daarom verzoekt zij om een dwangsom toe te kennen van € 1.442,-. De uitspraak van 3 april 2019 4.4. In navolging van de rechtbank overweegt de Raad dat appellante de hoogte van de aan haar met ingang van 6 januari 2018 toegekende algemene en aanvullende bijzondere bijstand in deze procedure niet meer kan aanvechten. Het beroep van appellante tegen het besluit over de aan haar met ingang van 6 januari 2018 toegekende algemene en aanvullende bijzondere bijstand heeft de rechtbank in de uitspraak van 3 april 2019 niet-ontvankelijk verklaard.