Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-04-15
ECLI:NL:CRVB:2026:465
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/115 ZW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2024, 24/2277 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 15 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de verplichte verzekering van appellante voor de ZW heeft beëindigd per datum waarom zij heeft verzocht de verzekering te beëindigen, 30 oktober 2023. Volgens appellante zijn er bijzondere omstandigheden waardoor de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht moet worden beëindigd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de vrijwillige ZWverzekering terecht per 30 oktober 2023 heeft beëindigd. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N.E.M. van der Heijden, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Voor appellante is mr. Van der Heijden verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Op 14 november 2017 is appellante gestart met een eenmanszaak ( [naam eenmanszaak] ), een winkel in dameskleding. Op 7 augustus 2018 heeft appellante zich aangemeld voor de vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 10 augustus 2018 heeft het Uwv appellante per 6 augustus 2018 toegelaten tot de vrijwillige ZW-verzekering, met als dagloon € 72,-. 1.2. Per 30 juni 2020 is de eenmanszaak omgezet in een besloten vennootschap, [naam eenmanszaak] B.V., met appellante als bestuurder. Bij brief van 17 oktober 2023 heeft het Uwv appellante geïnformeerd over haar vrijwillige ZW-verzekering. 1.3. Op 30 oktober 2023 heeft appellante het Uwv verzocht de vrijwillige ZWverzekering per 30 oktober 2023 te beëindigen. Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het Uwv de vrijwillige ZW-verzekering van appellante beëindigd per 30 oktober 2023. 1.4. Bij besluit van 12 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat gelet op het gelopen risico een vrijwillige verzekering slechts per toekomende datum kan worden beëindigd en dat geen aanleiding bestaat om tot premierestitutie over te gaan. Het Uwv heeft appellante hierbij onder meer gewezen op de verzekeringsvoorwaarden, de jaarlijkse informatiebrieven en de Uwv-website. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1. Op grond van artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW heeft het Uwv naar aanleiding van het verzoek van appellante in beginsel terecht de verzekering per 30 oktober 2023 beëindigd. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de verzekering met terugwerkende kracht beëindigd had moeten worden. De rechtbank heeft geoordeeld dat hiervan geen sprake is. 2.2. Dat appellante jarenlang premies heeft betaald voor een verzekering waar zij nooit een beroep op heeft kunnen doen, is geen bijzondere omstandigheid. Daarbij overweegt de rechtbank dat het voor een directeur-grootaandeelhouder (DGA) in beginsel geen nut heeft om een ZW-verzekering af te sluiten omdat de B.V. het loon bij ziekte gedurende twee jaar door moet betalen, maar dat de vrouwelijke DGA wel recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg bij zwangerschap en bevalling voor ten minste zestien weken. 2.3. De argumenten van appellante dat het Uwv haar eerder en duidelijker had moeten wijzen op het feit dat de verzekering in het geval van ziekte voor haar als DGA geen nut meer had, volgt de rechtbank niet. 2.4. Het Uwv heeft aan appellante voor de jaren 2020 tot en met 2023 jaarlijks een brief gestuurd over de premiepercentages. Het Uwv heeft in die premiebrieven voldoende duidelijk vermeld dat de vrijwillige ZW-verzekering voor een DGA slechts beperkte meerwaarde heeft omdat tijdens ziekte de B.V. verplicht is om het loon door te betalen. 2.5. De rechtbank ziet de registratie in de polisadministratie van de wijziging in rechtsvorm of het verstrekken van informatie in een procedure gericht op een ander doel, niet als een verzoek waarmee appellante heeft beoogd haar verzekering stop te zetten. Van het Uwv kan niet verwacht worden dat op basis van deze informatie zelfstandig onderzoek wordt gedaan naar de rechtsvormwijziging en de eventuele gevolgen daarvan voor de verzekering. Als appellante een verzekering wil beëindigen, ligt het op haar weg om met de juiste afdeling van het Uwv contact op te nemen en het Uwv daarover te informeren. Dat heeft appellante pas op 30 oktober 2023 voor het eerst gedaan. 2.6. De rechtbank ziet ook in de brief van het Uwv van 17 oktober 2023 geen reden om een bijzonder omstandigheid aan te nemen. In deze brief zijn de mogelijke gevolgen van de vrijwillige ZW-verzekering nogmaals onder de aandacht gebracht, maar dit wijkt niet af van de jaarlijkse premiebrief. Het Uwv stuurt deze brieven als service aan verzekerden, maar het blijft de verantwoordelijkheid van de verzekerden om aan de bel te trekken en de verzekering te beëindigen. 2.7. Ook het financiële nadeel van appellante kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Onder de gegeven omstandigheden ligt het binnen de risicosfeer van appellante dat het Uwv weigert om de vrijwillige ZW-verzekering met terugwerkende kracht te beëindigen met de daaraan verbonden financiële gevolgen. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht per 30 juni 2020, dan wel per 17 februari 2021 had moeten worden beëindigd. 3.1. Appellante heeft namelijk jarenlang onverschuldigd premies betaald en dat dient voor rekening van het Uwv te komen. Het Uwv heeft appellante niet goed geïnformeerd. Op de website van het Uwv staat niet dat bij een wijziging in rechtsvorm het Uwv geïnformeerd dient te worden en/of de vrijwillige ZW-verzekering beëindigd dient te worden en/of feitelijk onnodig is geworden. Bovendien heeft appellante niet actief gezocht op de website van het Uwv omdat zij het verband niet legde tussen de wijziging van een rechtsvorm van een bedrijf en de vrijwillige ZW-verzekering. Aan de jaarlijkse premiebrieven ontleende zij dat ook niet. 3.2. Het Uwv heeft in de polisadministratie kunnen zien dat appellantes eenmanszaak per 30 juni 2020 was omgezet naar een B.V. Het Uwv was hiervan ook al door het bezwaarschrift van appellante van 17 februari 2021 in een NOW-procedure op de hoogte. Appellante is echter pas op 17 oktober 2023 gewezen op de gevolgen van de omzetting. Anders dan in de jaarlijkse premiebrieven is in de brief van 17 oktober 2023 veel uitgebreider en duidelijker uitgewerkt wat die gevolgen zijn. Appellante heeft daarop direct actie ondernomen. 3.3. Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de overweging dat een vrouwelijke vrijwillige verzekerde mogelijk aanspraak kan maken op een uitkering bij zwangerschap en verlof een verboden onderscheid inhoudt tussen mannen en vrouwen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de vrijwillige ZW-verzekering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Ingevolge artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW beëindigt het Uwv de vrijwillige verzekering op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum. 5.2.