Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2020-09-29
ECLI:NL:GHAMS:2020:2533
Civiel recht
arrest ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.280.527/01 OK arrest van de Ondernemingskamer van 29 september 2020 inzake 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] , gevestigd te [....] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] , gevestigd te [....] , 3. [C] , wonende te [....] , appellanten in de hoofdzaak, verweersters in het incident, advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, kantoorhoudende te Wassenaar, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [D] , gevestigd te [....] , geïntimeerde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. M.C. Schepel, kantoorhoudende te Den Haag. 1Het verloop van het geding 1.1 Appellanten in de hoofdzaak/verweersters in het incident zullen hierna respectievelijk PPB, APB en [C] en gezamenlijk PPB c.s. worden genoemd, geïntimeerde in de hoofdzaak/eiseres in het incident zal hierna DPB worden genoemd. 1.2 PPB c.s. hebben bij dagvaarding van 2 juli 2020 hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 april 2020 met zaak-/rolnummer C/09/574329 / HA ZA 19-568 gewezen tussen DPB als eiseres en [E] (hierna: MPB) en PPB c.s. als gedaagden. Zij hebben DPB gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van het hof van 1 september 2020 en gevorderd om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis te vernietigen en DPB te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. 1.3 DPB heeft bij anticipatie-exploot van 3 juli 2020 PPB c.s. opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van het hof van 14 juli 2020 en bij wijze van incident gevorderd om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, PPB c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep en PPB c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. 1.4 Bij conclusie van antwoord in het incident hebben PPB c.s. geconcludeerd primair tot niet-ontvankelijkverklaring van DPB in haar in 1.3 genoemde incidentele vordering, althans tot afwijzing daarvan, subsidiair tot verwijzing van de hoofdzaak naar het gerechtshof Den Haag, met veroordeling van DPB in de kosten van de procedure. 1.5 Vervolgens heeft DPB de stukken van het geding overgelegd en arrest gevraagd in het incident. 2De gronden van de beslissing 2.1 De hoofdzaak betreft de op artikel 2:343 BW gebaseerde vordering tot uittreding van DPB als aandeelhouder van MPB. 2.2 Voor zover thans van belang houden de in het vonnis genoemde feiten het volgende in. DPB is de persoonlijke holding van [F] (hierna: [F] ) en houdt 25% van de aandelen in MPB. De overige aandelen in MPB worden gehouden door PPB c.s., ook ieder voor 25%. PPB en APB zijn de persoonlijke holdings van respectievelijk [G] (hierna: [G] ) en [H] (hierna: [H] ). [G] , [H] , [C] en [F] zijn broers en zussen van elkaar. MPB hield, in de vorm van certificaten van aandelen, een belang van 25% in [I] , een familiebedrijf dat wereldwijd actief is in de visserij en visserijverwerking. Deze certificaten zijn inmiddels overgedragen aan een andere certificaathouder tegen een koopsom van € 122,5 miljoen. Die overdracht heeft plaatsgevonden op grond van een vonnis in kort geding en over het bestaan van de desbetreffende koopovereenkomst is een bodemprocedure aanhangig, thans in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag, tussen MPB en de koper. 2.3 Bij het vonnis van 8 april 2020 heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing: PPB c.s. veroordeeld ieder 1/3e deel van de door DPB gehouden aandelen in MPB over te nemen; MPB veroordeeld, vooralsnog voorwaardelijk – namelijk onder de voorwaarde dat de rechtbank tot het oordeel komt dat een overname door de vennootschap van de aandelen niet in strijd komt met het bepaalde in artikel 2:207 lid 2 BW – de door DPB gehouden aandelen in MPB over te nemen, voor zover één of meer van de onder a. tot overname veroordeelde medeaandeelhouders met de afname gedurende 14 dagen in gebreke blijft; DPB veroordeeld tot levering van de door haar gehouden aandelen in MPB aan PPB c.s. c.q. MPB, voor zover de voorwaarde genoemd onder b. is vervuld, op de wijze bepaald in artikel 2:343a BW; e zaak verwezen naar de rol voor uitlaten partijen (bij akte) over de aan een voor de vaststelling van de waarde van de aandelen van DPB te benoemen deskundige voor te leggen vragen. 2.4 In het incident is aan de orde of PPB c.s. ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen dit vonnis. 2.5 Zoals DPB heeft aangevoerd, kan op grond van artikel 2:343 lid 2 BW jº 2:339 lid 1 BW van het vonnis waarbij de uittredingsvordering wordt toegewezen, slechts hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep van het vonnis waarbij de rechter – kort gezegd – de prijs van de aandelen heeft bepaald. Deze regel geldt niet als de rechtbank anders heeft bepaald en daarvan is hier geen sprake. 2.6 PPB c.s. hebben aangevoerd dat deze zaak in feite uitsluitend een familieaangelegenheid betreft. Volgens hen heeft de constructie van MPB met als aandeelhouders (de persoonlijke vennootschappen van) [G] , [H] , [C] en [F] het doel het familiekapitaal veilig te stellen. [F] beoogt door middel van de uittredingsvordering het erfdeel dat hem zou toekomen reeds vóór het overlijden van zijn ouders op te eisen. De zaak zou daarom verwezen moeten worden naar de gewone civiele kamer van het hof Den Haag. PPB c.s. miskennen met dit betoog dat de wet (artikel 2:343 lid 2 BW jº 2:336 lid 3 BW) inhoudt dat hoger beroep van een vonnis waarbij op een uittredings- of uitstotingsvordering is beslist, uitsluitend bij de Ondernemingskamer kan worden ingesteld. 2.7 PPB c.s. hebben nog naar voren gebracht er zwaarwegend belang bij te hebben thans reeds hoger beroep van het vonnis van 8 april 2020 te kunnen instellen, omdat het daarbij gelaste deskundigenonderzoek naar verwachting zeer kostbaar zal zijn en die kosten vermeden dienen te worden. Bovendien gaat volgens hen de met het verbod van tussentijds hoger beroep beoogde bespoediging van de uittredingsprocedure niet op, omdat de procedure nauw samenhangt met de procedure over de verkoop van de certificaten en moet worden vermeden dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen, aldus PPB c.s. PPB c.s. hebben voorts aangevoerd dat sprake is geweest van schendingen van het fundamentele beginselen van hoor en wederhoor in de procedure die tot het vonnis van 8 april 2020 heeft geleid, zodat op grond van het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aanleiding bestaat tot doorbreking van het appelverbod. Deze schendingen zouden eruit bestaan dat appellanten in verband met de Covid-19-maatregelen geen overleg hebben kunnen voeren en hun advocaat ter gelegenheid van de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen niet goed was voorbereid en niet wist waar de zaak over ging. De Ondernemingskamer: in het incident en in de hoofdzaak verklaart [A] , gevestigd te Katwijk, [B] , gevestigd te Katwijk, en [C] , wonende te [....] , niet-ontvankelijk in hun hoger beroep; veroordeelt [A] , [B] en [C] in de kosten van het geding, aan de zijde van [D] , gevestigd te [....] , begroot op € 760 aan verschotten, € 1.074 voor salaris op € 157 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen zeven dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mr. G.C. Makkink, voorzitter, en mr. C.C. Meijer en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink RA en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 343a — Burgerlijk Wetboek Boek 2
- Artikel 207 — Burgerlijk Wetboek Boek 2
- Artikel 339 — Burgerlijk Wetboek Boek 2
- Artikel 336 — Burgerlijk Wetboek Boek 2
- Artikel 47 — Grondwet
- Artikel 343 — Burgerlijk Wetboek Boek 2
- Artikel 339 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 20 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad