ECLI:NL:GHAMS:2022:1081
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001565-21
datum uitspraak: 24 maart 2022
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende in Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 09-141790-19 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van geen 10 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juni 2019 te Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [restaurant], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking een deur (van de nooduitgang) heeft geforceerd/getracht open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de eerste rechter.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd.
Het hof overweegt het volgende.
Uit het dossier blijkt dat twee getuigen ’s nachts drie donker geklede personen waarnemen rondom het pand van het [restaurant] in Leiden. Eén van deze personen draagt een muts en een ander draagt een pet. De getuigen horen een bonkend en krakend geluid vanuit de richting van voornoemd pand. Later blijkt uit politieonderzoek dat kennelijk is gepoogd om ter plekke de deur van de nooduitgang te forceren, gelet op de aanwezige braaksporen. Na 2 à 3 minuten zien de getuigen de personen weglopen richting het [plek].
Om 02:05 uur doen de getuigen melding bij de politie en om 02:10 uur komt de politie ter plaatse. De politie ziet een in het zwart geklede man - met een muts op - wegrennen langs het [plek], die vervolgens uit beeld verdwijnt nadat hij over het hek van een school is gesprongen. Het vervolgens afgezette gebied wordt door een hondengeleider doorzocht, waarbij de verdachte wordt aangetroffen, geheel gekleed in het zwart. Naar aanleiding van het luide geschreeuw van de verdachte, die door de diensthond is gebeten in zijn been, komt de medeverdachte [medeverdachte 1] uit de bosjes lopen, die zegt dat hij niet ‘net als zijn maat’ gebeten wil worden en ‘eieren voor zijn geld kiest’. Op de plaats waar de verdachte verstopt lag, worden later die nacht onder meer inbrekerswerktuigen en een balaclava (bivakmuts) gevonden. De verdachte verklaart later dat hij met de medeverdachten die nacht in de buurt van de plaats delict was.
Om 02:10 uur wordt door andere ter plaatse gekomen agenten gezien dat een man, geheel gekleed in het zwart en met een donkere pet op, wegrent. De achtervolging wordt ingezet en hij wordt even later bij nabijgelegen flats, op zijn buik liggend in de bosjes, aangetroffen. Dit is de medeverdachte [medeverdachte 2]. Bij hem wordt een fietssleutel aangetroffen, die blijkt te passen op één van de drie fietsen, die later achter dat [restaurant] worden aangetroffen.
Voornoemde feiten en omstandigheden zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm in hoge mate redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich met de andere aangehouden verdachten heeft schuldig gemaakt aan de poging tot inbraak in het [restaurant]. Het hof wijst hier op het korte tijdsverloop tussen de melding en het aantreffen van de verdachten, de gelijkenissen tussen de signalementen van de verdachten en die van de drie door de getuigen waargenomen daders, de vondst van het inbrekersgereedschap, de verklaring van de verdachte dat hij met de medeverdachten die nacht in de buurt van de plaats delict was, de match tussen de bij [medeverdachte 2] aangetroffen fietssleutel en een bij het wijkrestaurant geparkeerde fiets en het uitblijven van enige, concrete en aannemelijke verklaring – laat staan een voornoemde redengevendheid ontzenuwende verklaring – voor de aanwezigheid van de verdachten toen en daar, hun vlucht en hun (overwegend) donkere kledij.
Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.
Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Niet nodig is dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, maar de samenwerking moet intensief zijn. Bewuste en nauwe samenwerking kan onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Niet is vereist dat de medeplegers eenzelfde rol vervullen of dezelfde soort gedragingen verrichten bij de uitvoering van het delict. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan een strafbaar feit zal van voldoende gewicht moeten zijn.
Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte samen met twee anderen naar het desbetreffende [restaurant] is gegaan ter uitvoering van het vooropgezette plan daar in te breken en spullen weg te nemen, zodat sprake was van zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat dit als medeplegen dient te worden gekwalificeerd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 12 juni 2019 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [restaurant], weg te nemen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, door een deur (van de nooduitgang) open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. N.A. Schimmel en mr. H.A.G. Nijman, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2022.
mr. H.A. van Eijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.