ECLI:NL:GHAMS:2026:597
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.364.132/01 faillissementsnummer rechtbank Amsterdam : C/13/26/15 F arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2026 in de zaak van [appellant] , gevestigd te [plaats] , appellante, advocaat: mr. A. Coskun te Uitgeest, tegen COÖPERATIEVE RABOBANK U.A. , gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. S.M. van Elst te Utrecht. Partijen worden hierna [appellant] en Rabobank genoemd. 1 Het geding in hoger beroep [appellant] is bij beroepschrift van 26 januari 2026, ontvangen ter griffie van het hof op dezelfde datum, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2026, waarbij [appellant] op verzoek van Rabobank in staat van faillissement is verklaard met benoeming van [naam 1] , lid van voornoemde rechtbank, tot rechter-commissaris en met aanstelling van [naam 2] , advocaat te Amsterdam, als curator (hierna: curator). Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 24 februari 2026. Bij die behandeling is verschenen mr. Coskun voornoemd die het standpunt van zijn cliënte heeft toegelicht aan de hand van overgelegde schriftelijke aantekeningen. De bestuurder van [appellant] , [naam 3] , is niet verschenen - naar zeggen van mr. Coskun voornoemd - vanwege ziekte. Namens Rabobank is verschenen mr. Van Elst voornoemd die het standpunt van zijn cliënte heeft toegelicht, eveneens aan de hand van overgelegde schriftelijke aantekeningen. Verder is ter zitting verschenen de curator die haar standpunt heeft toegelicht aan de hand van het hierna te noemen verslag. Ten slotte is ter zitting verschenen [naam 4] namens [naam 5] (curator in het faillissement van [bedrijf 1] en van [bedrijf 2] ). Partijen en de curator hebben ter zitting vragen van het hof beantwoord. Het hof heeft kennisgenomen van: - het beroepschrift, met bijlagen; - het rechtbankdossier waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg; - het verslag van de curator omtrent de stand van de boedel van 19 februari 2026 (hierna: het verslag); - het eerste verslag ex artikel 73a Faillissementswet (Fw) in het faillissement van [appellant] ; - het vierde verslag ex artikel 73a Fw in het faillissement van [bedrijf 1] ; - het negende verslag ex artikel 73a Fw in het faillissement van [bedrijf 2] ; - e-mail van mr. Coskun van 24 februari 2026 met één productie inhoudende een overzicht van zogenoemde Z-rapporten van [bedrijf 2] en pinbonnen van [bedrijf 1] De advocaten van partijen en de curator hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken. Uitspraak is bepaald op heden. 2 Beoordeling 2.1. Rabobank heeft in het inleidend verzoekschrift aan haar verzoek tot faillietverklaring van [appellant] ten grondslag gelegd een vordering van, in hoofdsom, ruim € 370.000,00 uit hoofde van een overeenkomst van geldlening. Voorts heeft Rabobank aan haar verzoek ten grondslag gelegd een steunvordering van de curator in het faillissement van [bedrijf 1] , mr. Lintjens voornoemd, van € 1.056.760,00. 2.2. Nadat [appellant] verweer had gevoerd tegen de aangevoerde steunvordering, heeft de rechtbank bij het bestreden vonnis geoordeeld dat met de gegeven toelichting van de curator in het faillissement van [bedrijf 1] summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van Rabobank alsmede van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellant] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. 2.3. [appellant] betoogt in haar beroepschrift - onder aanvoering van twee grieven - dat de rechtbank ten onrechte het faillissement heeft uitgesproken. Met de grieven bepleit [appellant] dat de steunvordering van de curator in het faillissement van [bedrijf 1] niet bestaat en dat daarom geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers, althans dat zij tegen deze vermeende vordering gemotiveerd verweer heeft gevoerd ten gevolge waarvan niet kan worden geoordeeld dat summierlijk is gebleken van die vordering. [appellant] meent dan ook dat niet is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring zodat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. 2.4. Rabobank bestrijdt de grieven en concludeert - kort gezegd - tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. 2.5. De curator vermeldt in haar verslag dat er meerdere schuldeisers zijn met een zelfstandige vordering op [appellant] en dat zelfs als de vordering van de curator in het faillissement van [bedrijf 1] buiten beschouwing zou worden gelaten er sprake is van pluraliteit aangezien de Belastingdienst een vordering heeft ingediend in het faillissement. De curator komt tot de conclusie dat [appellant] ook thans verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen aangezien zij meerdere schuldeisers onbetaald laat en niet beschikt over voldoende liquide middelen om de openstaande vorderingen te (kunnen) voldoen. 2.6. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 6, derde lid Fw wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient de rechter in hoger beroep uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat naast de vordering van de aanvrager dient te blijken van ten minste nog een vordering van een andere schuldeiser, oftewel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is. Indien op een daartoe strekkende aanvraag een faillissement is uitgesproken, bepaalt de daarmee ingetreden toestand van faillissement de rechtspositie van alle schuldeisers. Daarbij past dat de appelrechter niet reeds gehouden is het vonnis van faillietverklaring te vernietigen op de enkele grond dat de schuldenaar stelt, en de aanvrager niet weerspreekt of zelfs erkent, dat het aan de rechter in eerste aanleg summierlijk gebleken vorderingsrecht van de aanvrager niet bestaat (HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6204, NJ 2006/610). 2.7. Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is verhandeld, blijkt het volgende. [appellant] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] die ieder een restaurant exploiteerden, in Den Haag respectievelijk Utrecht. Rabobank heeft een vordering van thans € 383.349,13 op [bedrijf 1] uit hoofde van een in 2018 door Rabobank verstrekte zakelijke financiering ten behoeve van de exploitatie van het restaurant in Den Haag. [appellant] is ten aanzien van deze financiering als hoofdelijk medeschuldenaar verbonden. [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zijn op 9 januari 2024 respectievelijk 18 maart 2025 in staat van faillissement verklaard. In beide faillissementen is [naam 5] aangesteld als curator. Mr. Lintjens voornoemd stelt een vordering te hebben op [appellant] van € 1.102.383,30 uit hoofde van onverschuldigde betaling als gevolg van diverse overboekingen zonder rechtsgrond van de rekening van [bedrijf 1] naar [appellant] . [appellant] betwist deze vordering, stellende dat van onverschuldigde betaling geen sprake is. Zij voert aan dat zij van juli 2022 tot juli 2023 de exploitatie van het restaurant in Utrecht tijdelijk had overgenomen van [bedrijf 2] aangezien laatstgenoemde vennootschap in financiële moeilijkheden verkeerde. Omdat [appellant] niet over een eigen pinapparaat beschikte, is tussen [appellant] en [bedrijf 1] toen afgesproken dat [appellant] gebruik mocht maken van het pinapparaat van [bedrijf 1] , welke afspraak is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst getiteld “Overeenkomst tijdelijk gebruik pinapparaat”, aldus [appellant] . De via het pinapparaat ontvangen gelden in de periode van juli 2022 tot juli 2023 behoren dan ook toe aan [appellant] , aldus [appellant] . 2.8.