ECLI:NL:GHARL:2013:6107
De voorzitter van de kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het verzoek namens
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans geplaatst in [FPC],
om onder toepassing van artikel 509w lid 3 jo. artikel 502 lid 1 Wetboek van Strafvordering, de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorlopig te beëindigen.
Daartoe is zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd:
Bij beslissing van 11 juli 2013 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de PIJ-maatregel van de jeugdige voor de duur van een jaar afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van artikel 77t lid 3 jo. artikel 77s lid 1 onder c Wetboek van Strafrecht. Tegen deze beslissing heeft de officier van justitie op 22 juli 2013 beroep ingesteld. Omdat de PIJ-maatregel doorloopt zolang de beslissing van de rechtbank nog niet onherroepelijk is, zit de jeugdige op dit moment nog steeds in [FPC]. Zijn situatie daar verslechtert met de dag.
Hij verblijft 23 uur per dag op zijn kamer in een intensive care unit. Gelet op de duidelijke rapportage van de inrichting, die stelt dat de kans dat de behandeling in het kader van de maatregel alsnog zal slagen gering is, terwijl de voortdurende beperkende omgeving zal leiden tot een opbouw van frustraties, waardoor de jeugdige kan verharden en zijn problematiek kan verergeren en voorts gelet op de heldere uitspraak van de rechtbank, wordt verzocht de PIJ-maatregel hangende de beslissing op het beroep, voorlopig te beëindigen.
De voorzitter heeft gelet op de stukken, waaronder het op grond van artikel 77t Wetboek van Strafrecht uitgebrachte advies van 4 april 2013 tot verlenging van de PIJ-maatregel met één jaar, alsmede de beslissing waarvan beroep.
Wijst af het verzoek tot voorlopige beëindiging van de plaatsing van de jeugdige [betrokkene] in een inrichting voor jeugdigen.
Aldus gewezen door mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter, op 15 augustus 2013.
Gezien het voorlopige karakter van een beslissing op grond van artikel 509w Wetboek van Strafvordering en anderzijds de verstrekkende gevolgen die een, zij het voorlopige, beëindiging van de verpleging van overheidswege dan wel de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan hebben voor de uiteindelijke beslissing in beroep, dient een verzoek tot een voorlopige beëindiging van de maatregel in beginsel slechts te worden toegewezen in het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat het hof in beroep anders dan de rechtbank tot een toewijzing van de vordering tot verlenging van de maatregel zal beslissen. Dit geval doet zich naar het oordeel van de voorzitter hier niet voor, zodat het verzoek zal worden afgewezen.