Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2014-04-22
ECLI:NL:GHARL:2014:3377
Civiel recht
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.122.195/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad C/07/173767 HL ZA 10-973) arrest van de eerste kamer van 22 april 2014 in het incident ex art. 843a Rv in samenhang met art. 21/22 Rv en in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 351 Rv in de zaak van: [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant, tevens eiser in de incidenten, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, tevens verweerster in de incidenten, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. I.M.G. Maste, kantoorhoudende te Almere. Het tussenarrest van 25 juni 2013 wordt hier overgenomen. 1De verdere loop van het geding in hoger beroep 1.1 [appellant] heeft een memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis in reconventie, tevens houdende incident tot schorsing uitvoerbaar bij voorraad verklaring en vordering ex artikel 843a juncto 21 Rv (met producties 17 t/m 96) genomen, met als conclusie: "(...) bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (voorheen: Rechtbank Zwolle-Lelystad) gewezen op 27 april 2011, 1 augustus 2012 en 6 februari 2013 (...) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig met verbetering en aanvulling van gronden, alsnog: in conventie: I. geïntimeerde in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen algeheel af te wijzen; in reconventie: II. de door appellant tot de ontbinding van het huwelijk met geïntimeerde opgebouwde pensioenaanspraken aan hem toe te delen, zonder enige verrekening van deze aanspraken met geïntimeerde; III. geïntimeerde te veroordelen om binnen 14 dagen na de dagtekening van het ten deze te wijzen arrest aan appellant terug te betalen de bedragen die op grond van het vonnis van 6 februari 2013 uit hoofde van verrekening van pensioenaanspraken aan haar zijn betaald of via beslagen zijn verhaald, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 2 juli 2010 (m.b.t. deel A), c.q. 1 november 2011 (m.b.t. de termijnen die na die datum en tot het vonnis van 6 februari 2013 verschuldigd zijn), c.q. 6 februari 2013 (m.b.t. de termijnen die na het vonnis opeisbaar zijn geworden) tot die der algehele voldoening, met machtiging op appellant om zijn opeisbare vordering op geïntimeerde ter zake te verrekenen met hetgeen hij haar uit hoofde van het ten deze te wijzen arrest verschuldigd zal blijken te zijn; IV. primair: voor recht te verklaren dat de feitelijke verdeling van gemeenschap van goederen die tussen partijen heeft bestaan en die op [1987] is ontbonden volledig heeft plaatsgevonden en dat de man van de vrouw nog € 103.536,10 te vorderen heeft, of subsidiair: de verdeling van de (overige) per [1987] ontbonden gemeenschap van goederen tussen partijen vast te stellen conform de opsomming sub 196 in het lichaam van deze Memorie weergegeven, het primair en subsidiair sub IV. gevorderde met veroordeling van geïntimeerde om binnen 14 dagen na de dagtekening van het ten deze te wijzen arrest wegens haar overbedeling aan appellant een bedrag te betalen van € 103.536,10, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 september 2010, althans met ingang van 15 oktober 2013 tot die der algehele voldoening, met machtiging op appellant om zijn opeisbare vordering op geïntimeerde ter zake te verrekenen met hetgeen hij haar uit hoofde van het ten deze te wijzen arrest verschuldigd zal blijken te zijn; VI. geïntimeerde te veroordelen om binnen 14 dagen na de dagtekening van het ten deze te wijzen arrest aan appellant terug te betalen de bedragen die op grond van het vonnis van 6 februari 2013 uit hoofde van zijn overbedeling bij de verdeling van de (overige) gemeenschap van goederen aan haar zijn betaald of via beslagen zijn verhaald, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 6 februari 2013, althans de verzuimdatum tot die der algehele voldoening, met machtiging op appellant om zijn opeisbare vordering op geïntimeerde ter zake te verrekenen met hetgeen hij haar uit hoofde van het ten deze te wijzen arrest verschuldigd zal blijken te zijn; VII. geïntimeerde in de kosten te veroordelen van de procedures in beide instanties, zowel in conventie als in reconventie, alsmede die kosten gelijk te stellen aan de kosten die appellant werkelijk heeft moeten maken; IN HET INCIDENT: a. (...) bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de Rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad, gewezen op 6 februari 2013 (...) hangende het te wijzen eindarrest te schorsen. b. (...) bij tussenarrest ex artikel 843a Rv de vrouw te gebieden om binnen een door uw Hof te bepalen termijn aan de man te verstrekken een afschrift van de navolgende stukken, telkens op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag of per dagdeel dat de vrouw per item in gebreke zal blijven dit aan te leveren na de dagtekening van het te dezen te wijzen tussenarrest: - de fiscale aangiftes en aanslagen (uit Spanje en Nederland) van de vrouw in de jaren 2005-2012; - historische kadastrale gegevens ten aanzien onroerende zaken op naam van de vrouw; - bewijsstukken m.b.t. 2.1 Het hof verwerpt het standpunt van [geïntimeerde], dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij zijn incidentele vorderingen in een akte in plaats van in een conclusie naar voren heeft gebracht. De vorderingen van [appellant] zijn immers opgenomen in de memorie van grieven, zodat de stelling van [geïntimeerde] feitelijke grondslag mist. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] zich als gevolg van de door haar gestelde "processuele onjuistheid" onvoldoende heeft kunnen verweren tegen de incidentele vorderingen van [appellant]. ten aanzien van het incident ex art. 843a Rv in samenhang met art. 21/22 Rv 2.2 [appellant] vordert dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot het verstrekken van stukken en/of informatie zoals opgesomd in de incidentele vordering onder b en c, zoals aangehaald in 1.1. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gesteld dat zij "niets heeft en in kommervolle omstandigheden leeft". Volgens [appellant] is deze informatie aantoonbaar onjuist en heeft [geïntimeerde] het zeer goed. Zo goed zelfs, dat [geïntimeerde] het al die jaren zonder pensioen of andere bijdragen van hem heeft kunnen stellen, aldus [appellant]. Volgens [appellant] is het dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat thans nog verrekening plaatsvindt. [geïntimeerde] geeft echter geen inzage in de vermogensbestanddelen die dienen te worden afgerekend in het kader van de feitelijke toedeling aan haar in de periode 1987-1988 en zij heeft omtrent haar welstand opzettelijk onjuiste informatie verstrekt aan de rechtbank. [geïntimeerde] weigert volgens [appellant] voorts om inzage te geven in haar vermogenspositie opgebouwd tijdens het huwelijk, in het bijzonder met betrekking tot de erfenis van haar moeder van wie [geïntimeerde] landerijen zou hebben geërfd. Door niet alle van belang zijnde bescheiden in het geding te brengen, handelt [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem, aldus [appellant]. Hiervan lijdt hij schade, zodat hij partij is bij een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv. Die rechtsbetrekking blijkt volgens [appellant] ook uit de omstandigheid dat de gevraagde stukken betrekking hebben op de geschilpunten die in de hoofdzaak aan de orde zijn, te weten de afwikkeling van de gemeenschap van goederen en de pensioenaanspraken. Het gaat hier om stukken die tot het exclusieve domein van [geïntimeerde] behoren, maar die [appellant] nodig heeft in het kader van zijn stelplicht, aldus tot zover [appellant]. 2.3 Het hof overweegt dat een exhibitievordering in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt indien is voldaan aan de volgende uit art. 843a lid 1 Rv voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:(1) degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben, en(2) het moet gaan om bepaalde bescheiden (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat op grond van art. 843a lid 4 Rv desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van de bescheiden indien daarvoor gewichtige redenen bestaan, of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. 2.4 Art. 843a vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander hoeft af te geven (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA3529). Het standpunt van [appellant], zoals verwoord in 2.2, komt er in essentie op neer dat [geïntimeerde] met stukken dient aan te tonen dat zij "niets heeft en in kommervolle omstandigheden leeft", zoals [geïntimeerde] volgens [appellant] heeft gesteld. [appellant] kan echter niet op grond van art. 843a Rv verlangen dat [geïntimeerde] tot onderbouwing van haar stellingen wordt gedwongen. Daarvoor gelden de regels van het bewijsrecht, waarvan de hoofdregel luidt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt (art. 150 Rv). Of aan [geïntimeerde] bewijs dient te worden opgedragen, is een vraag die thans niet ter beoordeling voorligt, maar in de hoofdzaak aan de orde zal komen. 2.5 Voor zover [appellant] met zijn op art. 843a Rv gebaseerde vordering beoogt in het bezit te komen van stukken die steun zouden kunnen geven aan zijn eigen stellingen en waarvan hij vermoedt dat [geïntimeerde] erover kan beschikken, miskent hij dat art. 843a Rv hiervoor nadrukkelijk geen ruimte biedt. Het hof verwijst in dit verband naar de conclusie van de A-G Strikwerda bij het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000 (ECLI:NL: PHR:2000:AA4877), waaraan het volgende citaat is ontleend: "Art. 843a Rv biedt dus niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan de eiser slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen. De voorwaarde dat de eiser partij moet zijn in de rechtsbetrekking waarop de opgevraagde documenten betrekking hebben, heeft kennelijk de strekking zulke "fishing expeditions" de pas af te snijden en kan daarom, zonder ingrijpen van de wetgever, niet uit art. 843a Rv worden weggedacht." 2.6 Zelfs indien wordt aangenomen dat de bedoelde stukken betrekking hebben op de geschilpunten in de hoofdzaak, zoals [appellant] stelt, betekent dit nog niet dat daarmee is voldaan aan de in 2.3 onder (3) genoemde voorwaarde. Weliswaar blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat ook een verbintenis uit onrechtmatige daad is aan te merken als een rechtbetrekking in vorenbedoelde zin (Kamerstukken II, 1999/00, 26855, nr. 5, p.78-79). [appellant] stelt echter niet dat de door hem bedoelde stukken betrekking hebben op een verbintenis uit onrechtmatige daad waarbij hij partij is, maar [appellant] stelt dat [geïntimeerde] onrechtmatig handelt jegens hem door deze bescheiden niet in het geding te brengen. Wat er van die laatste stelling ook zij, nu niet is gesteld (en ook anderszins niet is gebleken) dat de door [appellant] gevraagde stukken betrekking hebben op een verbintenis uit onrechtmatige daad jegens [appellant], volgt het hof [appellant] niet in zijn stelling dat de stukken waarvan hij in zijn incidentele vordering onder b en c overlegging verlangt, bescheiden zijn aangaande een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Dat [appellant] het niet overleggen van stukken als onrechtmatig jegens hem typeert, is in dit kader niet voldoende. En het moge zo zijn dat [appellant] belang heeft bij de gevraagde stukken ter onderbouwing van zijn eigen stellingen, maar het hebben van een rechtens relevant belang is nog niet voldoende voor het opleggen aan [geïntimeerde] van de verplichting om de bedoelde stukken aan [appellant] te verstrekken (HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4877). Voor het overige wordt verwezen naar hetgeen hiervoor in 2.5 is overwogen. 2.7 De conclusie luidt dat de incidentele vordering van [appellant] niet in aanmerking komt voor toewijzing op de voet van 843a Rv. 2.8 Voor zover gegrond op art. 22 Rv is de exhibitievordering van [appellant] evenmin toewijsbaar. Aan art. 22 Rv kan [appellant] geen vorderingsrecht ontlenen. Deze bepaling geeft aan de rechter een eigen, discretionaire bevoegdheid om van procespartijen te verlangen bepaalde bescheiden over te leggen. Het moet aan het procesbeleid van de kamer die over de hoofdzaak oordeelt worden overgelaten of van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. 2.9 Voor zover de vordering van [appellant] - zoals zoals aangehaald in 1.1 onder incidentele vordering, sub c - niet is gegrond op art. 843a Rv of art. 3.1 De vraag waar het in het onderhavige incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het aangevallen vonnis van 6 februari 2013 op de voet van art. 351 Rv. 3.2 Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt: ( a) dat de incidenteel eiser belang moet hebben bij de door hem verlangde schorsing van de executie, ( b) dat bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, en ( c) dat bij deze belangenafweging de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing moet blijven. Nu bij de beoordeling van een incidentele vordering als hier bedoeld ook geldt dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter, zal de incidenteel eiser aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, dan wel zal de incidenteel eiser aannemelijk hebben te maken dat het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. 3.3 Het standpunt van [appellant] luidt - samengevat - dat het bestreden vonnis van 6 februari 2013 op (een) juridische of feitelijke misslag(en) berust, dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van 6 februari 2013 misbruik van executiebevoegdheid oplevert, dat door de executie van het bestreden vonnis een (financiële) noodtoestand is ontstaan en dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. verdeling pensioenaanspraken 3.4 [appellant] stelt dat de rechtbank in het bestreden vonnis van 6 februari 2013 feitelijke en/of juridische misslagen heeft begaan door: - ten onrechte te bepalen dat de vrouw met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op een gedeelte van het door hem opgebouwde pensioen, ook voor zover dat reeds aan hem is uitgekeerd; - ten onrechte, althans ongemotiveerd, voorbij te gaan aan zijn stellingen dat sprake is van verjaring dan wel rechtsverwerking, althans dat de vordering van [geïntimeerde] voor het verleden dient te worden afgewezen dan wel substantieel dient te worden gematigd op grond van de redelijkheid en billijkheid. 3.5 Het hof stelt voorop dat eerst wanneer het evident is dat het beroepen vonnis op een vergissing berust, kan gesproken worden van een misslag als bedoeld aan het slot van 3.2. Die situatie doet zich echter niet reeds voor wanneer ook een andere beslissing mogelijk was geweest. Zelfs indien een motivering op een bepaald punt ontbreekt, kan niet zonder meer worden gezegd sprake is van een juridische of feitelijke misslag. 3.6 De rechtbank heeft - anders dan [appellant] kennelijk meent - niet voorbij gezien aan zijn in 3.4 aangehaalde stellingen. In het vonnis van 27 april 2011 overweegt de rechtbank immers dat [geïntimeerde] op grond van het arrest Boon/Van Loon in beginsel recht heeft op verrekening van het ouderdomspensioen van [appellant]. Dat er aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van rechtsverwerking, is niet komen vast te staan, aldus de rechtbank, en het vorderingsrecht van [geïntimeerde] is evenmin verjaard. Voor zover ook reeds in eerste aanleg door [appellant] is aangevoerd dat de vordering van [geïntimeerde] voor het verleden dient te worden afgewezen dan wel substantieel dient te worden gematigd op grond van de redelijkheid en billijkheid, ligt de verwerping van dat standpunt besloten in de overwegingen die hebben geleid tot het dictum (in conventie) in het eindvonnis van 6 februari 2013, waarvan beroep. Naar 's hofs oordeel heeft [appellant] in zoverre dan ook niet aannemelijk gemaakt dat laatstgenoemd vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. De kans van slagen van [appellant]'s stellingen in hoger beroep, blijft in het kader van dit incident verder buiten beschouwing. inboedel en premies levensverzekeringen 3.7 Het gerechtshof: in het incident ex art. 843a Rv in samenhang met art. 21 / 22 Rv wijst de vordering van [appellant] af; bepaalt dat omtrent de kosten van het incident zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak; in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 351 Rv wijst de vordering van [appellant] af; bepaalt dat omtrent de kosten van het incident zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 3 juni 2014 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde]. Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. J.H. Kuiper en mr. A.M. Koene, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 april 2014. Banque L'Etat de Fribourg 3.8 Volgens [appellant] heeft de rechtbank een misslag begaan door rekening te houden met een tegoed op naam van hem bij de Banque L'Etat de Fribourg, terwijl een dergelijke rekening niet bestaat. In het bestreden vonnis van 6 februari 2013 heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerde] het bestaan van een dergelijke rekening heeft gesteld en dat dit door [appellant] niet is weersproken. Van een kennelijke misslag is dan ook geen sprake, hetgeen onverlet laat dat [appellant] de herkansingsfunctie van het hoger beroep kan aangrijpen om alsnog zijn gelijk aan te tonen. In het kader van dit incident kan daar echter, zoals gezegd, niet op worden vooruit gelopen. schulden 3.9 [appellant] heeft voorts gesteld dat de rechtbank fouten heeft gemaakt bij de inventarisatie van de schulden die tot de ontbonden gemeenschap zouden hebben behoord. Het hof overweegt hieromtrent als volgt schulden/leningen bij de Rabobank 3.9.1 Volgens [appellant] heeft de rechtbank schulden/leningen bij de Rabobank door elkaar gehaald. Op de peildatum was sprake van een doorlopend krediet van ƒ 3.607,99 en een debetstand op een betaalrekening van ƒ 8.815,25, aldus [appellant], daarbij verwijzend naar producties die in eerste aanleg door hem in het geding zijn gebracht. De rechtbank heeft hieromtrent in rechtsoverweging 2.19 van het bestreden vonnis het navolgende overwogen: - een schuld aan de Rabobank, volgens [appellant] op 7-10-1987 ten bedrage van ƒ 8.818,25, volgens [geïntimeerde] d.d. 17-9-1987: ƒ 3.207,99. Gelet op het overgelegde bewijs gaat de rechtbank er van uit dat dit laatste bedrag juist is: € 1.455,27. Met [appellant] is het hof van oordeel dat hier sprake is van een misslag. De overgelegde producties (nrs. 25 en 26 bij de akte in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie van [appellant] in eerste aanleg) maken het bestaan van twee afzonderlijke schulden/leningen bij de Rabobank voldoende aannemelijk, met dien verstande dat [appellant] en [geïntimeerde] van mening verschillen over de stand van het doorlopend krediet op de peildatum. Wanneer wat dat laatste betreft wordt uitgegaan van de beoordeling van de rechtbank, leidt dat tot een schuld van € 5.455,90 (€ 4.000,18 + € 1.455,72) in plaats van het bedrag van € 1.455,27 waarvan de rechtbank is uitgegaan. Op de vraag welke gevolgen dit zou moeten hebben, komt het hof bij de hierna te plegen belangenafweging terug. schuld Middenstandsbank 3.9.2 [appellant] stelt dat de rechtbank een schuld van [geïntimeerde] bij de Middenstandsbank van € 907,56 ten onrechte heeft meegenomen bij haar beoordeling in reconventie. De schuld is verknocht aan [geïntimeerde], aldus [appellant]. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] het bestaan van deze schuld in eerste aanleg heeft gesteld bij dupliek in reconventie. In zijn nadien op 28 september 2011, 25 januari 2012 en 29 augustus 2012 genomen akten heeft [appellant] het bestaan van deze schuld niet betwist, noch gesteld dat deze schuld verknocht was aan [geïntimeerde]. Van een kennelijke misslag van de rechtbank is dan ook geen sprake. belangenafweging 3.10 [appellant] stelt (samengevat) dat hij onvoldoende middelen heeft om aan het bestreden vonnis van de rechtbank van 6 februari 2013 te voldoen. De door [geïntimeerde] gelegde beslagen hebben ertoe geleid dat zijn inkomen is gedaald van gemiddeld € 2.507,35 netto per maand naar slechts € 1.281,31 netto per maand, aldus [appellant]. Gegeven de omstandigheid dat zijn echtgenote een inkomen van € 3.981,34 netto per maand heeft, is dit volgens [appellant] onvoldoende voor de bestrijding van de vaste lasten van hem en zijn gezin - waartoe ook zijn minderjarige zoon Tjoma behoort - van (totaal) € 6.799,-. [appellant] stelt dat hij geen reële mogelijkheden heeft om zijn inkomen aan te vullen en dat zijn vermogen inmiddels is gedaald tot praktisch nihil. Onverkorte tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis brengt hem in een financiële noodtoestand, aldus [appellant]. Daarbij dient volgens [appellant] in de beoordeling te worden betrokken dat [geïntimeerde] 23 jaar heeft gewacht met het instellen van een vordering ter zake van de pensioenafwikkeling. Hieruit kan worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] niet in een financiële noodtoestand verkeert, aldus [appellant]. Ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] nalaat inzicht te geven in haar financiële situatie, dient voor haar rekening en risico te komen. Verder heeft [appellant] nog aangevoerd dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat [geïntimeerde] alles aangrijpt om hem in deze financiële noodsituatie te brengen. De door [geïntimeerde] getroffen executiemaatregelen maken dat sprake is van misbruik van omstandigheden dan wel van misbruik van executiebevoegdheid en er is sprake van een aanmerkelijk restitutierisico, aldus [appellant]. 3.11 [geïntimeerde] heeft de incidentele vordering van [appellant] weersproken. Hiertoe heeft zij aangevoerd - samengevat - dat [appellant] enige tijd het pensioenaandeel van [geïntimeerde] heeft opgestreken en dat de vrouw van [appellant] een royaal salaris heeft en onderhoudsplichtig is jegens hem. Verder stelt [geïntimeerde] dat [appellant] geacht wordt een fors vermogen in het buitenland te hebben en dat het er op lijkt dat dit vermogen buiten de sfeer van de Nederlandse fiscus wordt gehouden. [appellant] heeft toegegeven - aldus [geïntimeerde] - dat hij de boekenclub in de Oekraïne heeft verkocht en daar financieel voordeel uit heeft behaald. Van een financiële noodtoestand bij [appellant] is geen sprake en van misbruik van executiebevoegdheid evenmin, aldus [geïntimeerde], die hier aan toevoegt dat zij over onvoldoende middelen beschikt om te sparen voor noodzakelijke medische zorg. 3.12 In het kader van dit incident is niet gebleken dat het vonnis van de rechtbank van 6 februari 2013 op essentiële onderdelen berust op een feitelijke of juridische misslag. Weliswaar heeft het hof in 3.9.1 vastgesteld dat de rechtbank een misslag heeft begaan bij de vaststelling van de schulden/leningen bij de Rabobank, maar voor het dictum van het beroepen vonnis maakt dat geen verschil. De daarin opgenomen veroordelingen hebben immers enkel betrekking op de verdeling van de pensioenaanspraken (in conventie) en op de verdeling van de boedel (in reconventie). [appellant] heeft aan zijn incidentele vordering geen feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die door de rechtbank niet in aanmerking konden worden genomen omdat die zich eerst na het beroepen vonnis hebben voorgedaan. Dit één en ander betekent dat er te minder aanleiding is om af te wijken van de door de rechtbank gegeven beslissing, gelet op het belang van [geïntimeerde] bij tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis teneinde een aanvulling te verkrijgen op haar AOW-uitkering en de kosten van medische verzorging te bestrijden. De belangen van [appellant] wegen hier thans niet tegen op, ook niet in het licht van de omstandigheid dat [geïntimeerde] haar vordering tot verdeling van de pensioenaanspraken eerst bij inleidende dagvaarding van 21 juli 2010 aanhangig heeft gemaakt, terwijl [appellant] reeds op 6 april 2006 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Immers, hetgeen de rechtbank heeft toegewezen boven de reeds genoten pensioenuitkeringen van vóór 21 juli 2010, betreft een zodanig groot bedrag dat het nog geruime tijd zal duren voordat dat bedrag via beslaglegging en executie is voldaan. 3.13 Dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 6 februari 2013 bij [appellant] leidt tot aanmerkelijk ongerief, wil het hof wel aannemen. 4.1 De slotsom luidt derhalve dat de incidentele vorderingen van [appellant] zullen worden afgewezen. 4.2
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 351 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 22 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 21 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 843a — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad