Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-03-28
ECLI:NL:GHARL:2017:2633
Bestuursrecht
WAHV 200.180.967, 200.180.968, 200.180.976 en 200.180.977 28 maart 2017 CJIB 185519612, 185266933,185359417 en 185359961 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden locatie Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissingen van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] , voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] , kantoorhoudende te [plaats] . 1. Blijkens de gedingstukken zijn aan de betrokkene als kentekenhouder van het voertuig met het kenteken [kenteken] bij inleidende beschikkingen de volgende administratieve sancties opgelegd: - bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 185519612 (kenmerk hoger beroep: 200.180.967) is een sanctie van € 205,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 23 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 29 oktober 2014 om 05:38 uur op de N57 te Goedereede; - bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 185266933 (kenmerk hoger beroep: 200.180.968) is een sanctie van € 205,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 23 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 22 oktober 2014 om 05:37 uur op de N57 te Goedereede; - bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 185359417 (kenmerk hoger beroep: 200.180.976) is een sanctie van € 194,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 22 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 28 oktober 2014 om 15:33 uur op de N57 te Goedereede; - bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 185359961 (kenmerk hoger beroep: 200.180.977) is een sanctie van € 205,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 23 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 27 oktober 2014 om 05:41 uur op de N57 te Goedereede. 2. Op 17 september 2015 heeft de kantonrechter, behalve op het beroep in de onderhavige zaken, eveneens op nog een ander beroep (de zaak met CJIB-nummer 185211008) van de betrokkene beslist. Alle beslissingen zijn opgenomen in één op schrift gesteld document. Het hof zal niettemin verstaan dat de kantonrechter op ieder van deze vijf beroepen een afzonderlijke beslissingen heeft genomen. 3. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld in de onder overweging 1. vermelde zaken. Het hof stelt vast dat, nu tegen de beslissing van de kantonrechter in de andere zaak - met CJIB-nummer 185211008 - geen beroep is ingesteld, deze inmiddels onherroepelijk is geworden. 4. De gemachtigde van de betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 18 van de WAHV de officier van justitie na het instellen van het pro-forma beroep niet meer de bevoegdheid toekwam om het beroep van gronden te voorzien. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. 5. Ingevolge artikel 18 van de WAHV treedt de advocaat-generaal in hoger beroep als partij in de plaats van de officier van justitie. Het hof stelt vast dat de officier van justitie bij brief van 30 oktober 2015 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Bij brief van 8 april 2016 heeft de griffier van het hof de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep in te dienen. Bij brief van 4 mei 2016 heeft de griffier van het hof uitstel verleend tot 1 juni 2016. Op 31 mei 2016 heeft de advocaat-generaal de gronden van het beroep ingediend, zodat het verweer feitelijke grondslag mist. Dat deze gronden, zo als blijkt uit het begeleidend schrijven, zijn opgesteld door de officier van justitie doet daar niet aan af. 6. De officier van justitie betoogt dat de kantonrechter ten onrechte de sancties heeft gematigd tot de helft. Het enkele feit dat voorheen niet handhavend werd opgetreden ten aanzien van de maximumsnelheid op voornoemd traject, ontsloeg de betrokkene niet van de verplichting zich aan die snelheid te houden. De betrokkene is voorafgaand aan iedere overtreding een verkeersbord gepasseerd met daarop de snelheidslimiet, zodat hij steeds in de gelegenheid is gesteld zich aan de snelheid te houden. Voor iedere overtreding is terecht een sanctie opgelegd. Er is in de visie van de officier van justitie geen sprake van bijzondere omstandigheden die een matiging van de sanctie rechtvaardigen. De officier van justitie voert verder nog aan dat de kantonrechter evenmin tot matiging van de administratiekosten had mogen overgegaan, nu hij daartoe ingevolge de WAHV niet bevoegd is. 7. Het hof stelt voorop dat de betrokkene heeft erkend dat de onder 1. vermelde snelheidsovertredingen door hem zijn begaan. Niet in geschil is dat de gedragingen zijn verricht. 8. De betrokkene heeft aangevoerd dat op het betreffende traject jarenlang een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur heeft gegolden. Sinds enkele jaren is de snelheidslimiet teruggebracht naar 50 kilometer per uur. De kruising is ongewijzigd gebleven. Deze is ruim opgezet en overzichtelijk. Er gebeuren nauwelijks ongelukken. Sinds oktober 2014 is er nieuwe apparatuur geïnstalleerd, die naast roodlichtgedragingen ook snelheidsovertredingen registreert. Deze wijziging is niet gecommuniceerd. Er staan ook geen borden die op de snelheidscontrole attenderen, terwijl dit op andere plaatsen wel gebruikelijk is. De nieuwe apparatuur flitst bovendien niet, zodat je het niet merkt als je een overtreding begaat. Pas bij toezending van de bekeuringen, in het geval van de betrokkene acht stuks, raakte hij van de handhaving op de hoogte. Hij heeft toen onmiddellijk zijn rijgedrag aangepast. Iedere dag voor dezelfde overtreding bekeurd worden, heeft geen meerwaarde voor een gedragsverandering of voor de verkeersveiligheid. Uit diverse media blijkt dat er lokaal opschudding ontstond toen plotseling een groot aantal bekeuringen werd opgelegd. De wijze van handhaving is buitenproportioneel en onzorgvuldig geweest. De betrokkene acht het redelijk en billijk wanneer de sancties ongedaan wordt gemaakt. 9. Op grond van artikel 2, derde lid, van de WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze sterk tariefmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken. 10. De kantonrechter heeft in zijn uitspraak verwezen naar artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat de voor een betrokkene nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De kantonrechter heeft hierbij overwogen dat het feit dat op grond van artikel 2, vijfde lid, van de WAHV bij algemene maatregel van bestuur algemeen geldende sanctiebedragen zijn vastgesteld, waarbij de hoogte van het sanctiebedrag onder meer is afgestemd op de zwaarte van de overtreding, het bovenstaande onverlet laat en dat de sancties onder meer moeten worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 11. Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de WAHV kan beroep worden ingesteld ter zake dat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen. Hiermee heeft de wetgever in de WAHV een regeling opgenomen die een vergelijkbare werking heeft als het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. In zoverre dient de rechter in WAHV-zaken te toetsen aan de bijzondere regeling die is neergelegd in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de WAHV. Op vergelijkbare wijze als bij de toetsing aan het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel, dient de rechter in WAHV-zaken te toetsen of de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht, het opleggen van een sanctie niet billijken, dan wel of de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert tot matiging van de sanctie moeten leiden. De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissingen gedeeltelijk gegrond verklaard en de sancties opgelegd onder CJIB-nummer 185359961, 185519612 en 185266933 gematigd tot respectievelijk een bedrag van € 106,- (inclusief administratiekosten), € 106,- (inclusief administratiekosten) en € 109,50 (inclusief administratiekosten). De sanctie opgelegd onder CJIB-nummer 185359417 is gematigd tot nihil. Het procesverloop De officier van justitie heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De gemachtigde van de betrokkene heeft verweerschriften ingediend. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op de beroepen. De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op de beroepen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Het gerechtshof: vernietigt de beslissingen van de kantonrechter in de zaken met CJIB-nummer 185519612, 185266933, 185359417 en 185359961; verklaart de beroepen tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 22 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 18 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 2 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 9 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften