Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2021-07-27
ECLI:NL:GHARL:2021:7145
Civiel recht
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof: 200.268.530 (zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg: 7479331) arrest van de pachtkamer van 27 juli 2021 in de zaak van de gezamenlijke erven van wijlen [A], woonplaats kiezende te [woonplaats] , appellanten, in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hierna: de erven [A] , advocaat: mr. A. van Weverwijk, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ), geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.J.G. Peters. 1Kern van de zaak en de beslissing 1.1 [geïntimeerde] vordert schadevergoeding van de erven [A] omdat de erven [A] in 2015 5.07 ha cultuurgrond aan een derde in gebruik hebben gegeven waarvan [geïntimeerde] stelt dat hij toen al de pachter was. De erven [A] vorderen op hun beurt dat de per 1 januari 2016 gesloten pachtovereenkomst voor die 5.07 ha wordt ontbonden. Het hof oordeelt net als de pachtkamer in eerste aanleg dat er geen gronden zijn voor ontbinding. Omdat er ook in 2015 al een pachtverhouding bestond en de erven [A] [geïntimeerde] in dat jaar niet op het land hebben toegelaten, heeft [geïntimeerde] schade geleden. Het hof stelt die vast op een lager bedrag als de pachtkamer heeft gedaan omdat de pachtkamer is vergeten de niet-betaalde pacht in mindering te brengen. 1.2 Hierna legt het hof zijn oordeel uit. Eerst vermeldt het hof nog wat er in de procedure in hoger beroep is gebeurd. 2Het procesverloop tot nu toe 2.1 Het hof heeft op 7 januari 2020 en op 10 november 2020 een tussenarrest gewezen. In het tussenarrest van 10 november 2020 heeft het hof het procesverloop tot dan toe beschreven en een zitting aangekondigd. Bovendien heeft het hof gevraagd aan [geïntimeerde] om stukken over te leggen, wat hij heeft gedaan. Die stukken maken onderdeel uit van het procesdossier, evenals de stukken die [de erven van A] voor de zitting heeft opgestuurd. 2.2 Op 24 juni 2021 heeft de zitting plaatsgevonden waarvan een verslag is gemaakt. Aan het eind van de zitting heeft het hof arrest bepaald. Inleiding 3.1 Met ingang van 2011 heeft [A] 5.07 ha landbouwgrond (hierna: de grond) aan [geïntimeerde] verpacht. In 2014 is [A] overleden. De erven zijn zijn echtgenote, [echtgenote] en de drie kinderen [A] . De erven [A] hebben in 2015 de grond aan een derde in gebruik gegeven. Zij hebben [geïntimeerde] de toegang tot de grond geweigerd. [geïntimeerde] heeft daarop een kort geding aanhangig gemaakt en gevorderd dat de erven [A] hem toelaten tot de grond op verbeurte van een dwangsom. Die vordering is toegewezen en de erven [A] hebben de dwangsom tot het maximum van € 15.000 verbeurd en aan [geïntimeerde] betaald. 3.2 In 2015 hebben partijen, bijgestaan door hun adviseurs, onderhandeld over de rechtsverhouding tussen de erven [de erven van A] en [geïntimeerde] . In november 2015 is de akte van afgifte legaten verleden. Namens [moeder/echtgenote van A] (moeder) die toen voor de helft als eigenaar en voor de helft als vruchtgebruiker gerechtigd was tot de grond, heeft rentmeester Van Hoven op 31 december 2015 een reguliere pachtovereenkomst met ingang van 1 januari 2016 ondertekend, die [geïntimeerde] ook heeft ondertekend. Daarbij heeft [geïntimeerde] de grond gepacht tegen betaling van een bedrag van € 3.804,57 per jaar. Deze overeenkomst is goedgekeurd door Grondkamer Zuid. 3.3 Het hof zal hierna de bezwaren tegen het vonnis bespreken in de volgorde waarin ze staan in de memorie van grieven. Dat komt erop neer dat eerst de vordering van [geïntimeerde] aan bod komt (grondslag en hoogte van de schadevergoeding) en daarna de vraag of de vanaf 1 januari 2016 bestaande pachtovereenkomst moet worden ontbonden. Bestond er in 2015 een pachtverhouding (grief 1)? 3.4 De erven [A] hebben in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat vader [vader] de grond van jaar tot jaar heeft verpacht en dat dit in 2015 niet het geval was. Hun standpunt dat er van jaar tot jaar is verpacht, hebben zij niet nader geconcretiseerd in hoger beroep. Daarom passeert het hof hun betoog. Verder leidt het standpunt niet tot de conclusie dat er in 2015 geen pachtverhouding was. Omdat de vermeende pachtovereenkomsten van jaar tot jaar niet op schrift zijn gesteld en niet zijn ingezonden naar de Grondkamer bestond vanaf 2011 een reguliere pachtovereenkomst voor onbepaalde duur. Dat [geïntimeerde] in 2015 geen pacht heeft betaald, brengt niet mee dat de pachtverhouding daardoor eindigde. De grief faalt. Hoogte van de geleden schade (grief 2) 3.5 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een bedrag van ruim € 32.000 gevorderd en dat bedrag gebaseerd op de stelling dat hij de grond met plantuien zou hebben beteeld in dat jaar, waarbij hij een nettowinst van € 6.459 per hectare zou kunnen behalen. De erven [A] hebben gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] voornemens was in het jaar 2015 plantuien te telen op de grond. De pachtkamer heeft dat verweer onder 17 van het (eind)vonnis van 27 september 2019 aangenomen en de schade begroot op het gemiddelde resultaat per hectare. Dit gemiddelde resultaat per hectare had [geïntimeerde] tijdens de zitting meegedeeld en de pachtkamer heeft dit bedrag vermeerderd met mestopbrengsten tot een totaal van € 6.738,03. 3.6 De pachtkamer heeft onder 15 van het eindvonnis overwogen dat op de gevorderde schadevergoeding van [geïntimeerde] niet de pacht voor dat jaar (€ 5.000) in mindering was gebracht. De erven [A] voeren in hoger beroep aan dat “de kosten voor de gronden van [de erven van A] ” niet zijn meegenomen. Het hof begrijpt die opmerking zo dat de erven [A] aanvoeren dat de pachtkamer bij de eindberekening vergeten is het bedrag van de pacht in aftrek te brengen. De grief slaagt op dat punt. 3.7 In het gemiddelde resultaat per hectare dat de pachtkamer onder 17 van het eindvonnis als uitgangspunt heeft genomen voor de schadeberekening in plaats van de schadeberekening van [geïntimeerde] , zijn de kosten in mindering gebracht, waaronder ook de pacht per hectare moet worden begrepen. Het direct resultaat ziet het hof als een berekening van de jaarlijkse netto-omzet minus de kosten van grond- en hulpstoffen, werk van derden en de huisvestingskosten (waaronder de pacht). Voor een akkerbouwbedrijf waar naast ruim 30 ha mais bijzondere teelten worden verbouwd, is een gemiddelde opbrengt van € 1.029 ook aannemelijk. De berekening van het gemiste resultaat tot een totaal van € 6.738,03 neemt het hof dan ook over als het schadebedrag. Daarop moet het voordeel dat [geïntimeerde] heeft gehad nog in mindering worden gebracht, namelijk de kosten die hij niet heeft betaald voor het gebruik van de grond (€ 5.000). Dan resteert een schadebedrag van € 1.738,03. Dit bedrag zal het hof toewijzen. 3.8 Dat en tot welke hoogte een belastingvoordeel op de schade in mindering moet strekken, hebben de erven [A] niet concreet gemaakt. Dit terwijl volgens [de erven van A] de werkelijke resultaten van de onderneming al jaren verliesgevend zijn (wat overigens niet blijkt uit de jaarstukken, waarover hierna meer). Het hof heeft dan onvoldoende aanknopingspunten om die aftrekpost mee te nemen. Ter zitting is namens de erven [A] nog aangevoerd dat het telen van mais, wat [geïntimeerde] op de grond heeft gedaan de afgelopen jaren, geen opbrengsten oplevert. Blijkbaar stellen zij dat [geïntimeerde] daarom geen schade heeft geleden. Dit standpunt is evenmin uitgewerkt. Naar algemene ervaring in de agrarische praktijk resteert ook bij verkoop van mais (in plaats van het aan te wenden als veevoer in het eigen bedrijf) een positief saldo. Het standpunt van de erven [A] verwerpt het hof dan ook. Ontbinding omdat geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw (grief 3) 3.9 Voordat het hof ingaat op de vraag of er een grond voor ontbinding is, moet het hof eerst onder ogen zien dat de pachtovereenkomst is gesloten tussen moeder [moeder/echtgenote van A] en [geïntimeerde] en niet tussen de erven en [A] . De erven [A] hebben de tegenvordering tot ontbinding ingesteld. Moeder [moeder/echtgenote van A] maakt echter als deelgenoot deel uit van de erven [A] . Een deelgenoot kan een tegenvordering instellen zoals in dit geval is gebeurd. De overige erven zijn dan niet-ontvankelijk in hun vordering in reconventie. Bij een verklaring met die strekking heeft [geïntimeerde] echter geen belang, dus het hof houdt het bij deze vaststelling. 3.10 De erven [A] hebben de stelplicht en bij betwisting de bewijslast dat [geïntimeerde] geen bedrijfsmatige landbouw meer bedrijft, waarbij geldt dat van [geïntimeerde] kan worden gevergd dat hij stukken aanreikt waarmee de erven [A] hun stellingen kunnen onderbouwen. Dat heeft [geïntimeerde] in voldoende mate gedaan. Hij heeft de gecombineerde opgaven 2012-2021 en jaarrekeningen 2016-2019 overgelegd. Daaruit volgt dat [geïntimeerde] een akkerbouwbedrijf heeft van (nu) 48 ha pachtgrond waarop hij de afgelopen jaren steeds meer mais teelt (rond 30 ha) en daarnaast speciale teelten als knolselderij, sperziebonen en consumptieaardappelen. [geïntimeerde] behaalt wisselend een negatief en positief resultaat, heeft ondernemingsvermogen en weinig schulden. Hij heeft een klein machinepark en investeert alleen in machines (een rotorkopeg in 2018 en een klepelmaaier in 2020). [geïntimeerde] heeft ter zitting toegelicht dat hij voor zijn machines een deel van een loods huurt, de speciale teelten naar eigen inzicht en voor eigen rekening verbouwt en op deze manier altijd zijn agrarische onderneming heeft uitgeoefend. De speciale teelten verkoopt hij vanaf het land of hij huurt koelruimtes. In de jaarstukken zijn kosten voor loonwerk, gebouwen, zaai- en teeltgoed en dergelijke verantwoord en daarvan zijn ook rekeningen overgelegd. Ook zijn er rekeningen van gehuurde koelruimtes. Het hof heeft geen aanleiding te veronderstellen dat al deze stukken vervalst zijn of alleen voor onderhavige zaak gefabriceerd. Het hof, recht doende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer te Middelburg (rechtbank Zeeland-West-Brabant) van 27 september 2019 behalve wat het schadebedrag van € 6.738,03 in conventie betreft en doet op dat onderdeel opnieuw recht: in conventie veroordeelt de erven [A] hoofdelijk - dat wil zeggen: ieder voor het gehele bedrag, waarbij als de een betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd - om tegen bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 1.738,03 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 maart 2015 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt de erven [A] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 3.526; verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, L.R. van Harinxma thoe Slooten en S.B. Boorsma en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en B. Lamers, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2021. 3.17 Het hoger beroep slaagt op één onderdeel, verder faalt het. Het hof zal in conventie in plaats van € 6.738,03 een bedrag van € 1.738,03 toewijzen en het vonnis verder bekrachtigen. De vordering in het incident moet worden afgewezen. Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof de erven [A] in de kosten van het hoger beroep en het incident veroordelen. De kosten van [geïntimeerde] stelt het hof vast op € 741 aan griffierecht en op € 2.785 aan salaris advocaat (2,5 punten x tarief II), dus in totaal € 3.526.