Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-31
ECLI:NL:GHARL:2026:1925
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.333.892/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 543337) beschikking van 31 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden, en [verweerder] (de vader), die woont in [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. H. Hooijer te Zeist. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Midden Nederland, locatie Utrecht. 1 Het verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 24 april 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: - een journaalbericht namens de vader van 25 augustus 2025; - een journaalbericht namens de vader van 29 augustus 2025 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de moeder van 8 september 2025; - een journaalbericht namens de vader van 21 november 2025 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de moeder van 1 december 2025; - een mail van [naam1] ( [naam1] ) van 20 januari 2026, waarin [naam1] zich afmeldt voor de zitting. 1.3 De minderjarige dochter van partijen ( [de minderjarige] ) heeft bij brief, ingekomen op 12 februari 2026, aan het hof (opnieuw) haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling. 1.4 Op 17 februari 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door mr. Nijenhuis en een tolk in de Russische taal; - de vader, bijgestaan door mr. Hooijer; - een vertegenwoordiger van de raad die ook het raadsonderzoek heeft gedaan en de aanvullende rapportage heeft opgesteld. 2 De motivering van de beslissing 2.1 In zijn tussenbeschikking van 24 april 2025 heeft het hof in niet mis te verstane bewoordingen laten weten wat het van de gang van zaken tot dan toe vond. Het hof moest destijds vaststellen dat niet voor het eerst in deze kwestie geen uitvoering was gegeven aan een door de rechter vastgestelde (voorlopige) zorgregeling en dat er (weer) geen omgang plaatsvond tussen de vader en [de minderjarige] . Het in een eerdere tussenbeschikking door het hof gevraagde raadsonderzoek naar de mogelijkheden van contact tussen de vader en [de minderjarige] was op 26 juli 2024 afgerond met een rapport. De raad zag geen contra-indicaties voor contact tussen de vader en [de minderjarige] . Vervolgens is in de uitvoering van de te organiseren jeugdhulp een patstelling ontstaan. Er was sprake van onenigheid tussen de moeder en de raad enerzijds en [naam1] anderzijds, omdat [naam1] eerst zelfstandig een onderzoek wilde uitvoeren om te onderzoeken welke hulpverlening noodzakelijk was en de moeder en de raad dit overbodig vonden omdat de raad dit al had onderzocht en hierover had geadviseerd. Het lukte daardoor niet om de ouders naar een hulpverleningstraject bij [naam2] te leiden, dat gericht is op contactherstel/omgangsondersteuning, terwijl dat wel was wat er volgens de raad moest gebeuren in het belang van [de minderjarige] en beide ouders daarvoor ook openstonden (nadat de raad de nodige overtuigingskracht richting de moeder had gebruikt). Het hof noemde de situatie op dat moment buitengewoon betreurenswaardig. In zijn tussenbeschikking van 24 april 2025 heeft het hof geprobeerd om de voor [de minderjarige] noodzakelijk geachte hulpverlening gericht op contactherstel met de vader alsnog te bewerkstelligen. De moeder had ter zitting van 13 maart 2025 aangegeven daar nog steeds voor open te staan. Het hof heeft toen een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld in die zin dat met hulp en ondersteuning van [naam2] wordt toegewerkt naar minimaal één ontmoeting per maand, tenzij de hulpverlening daarvoor belemmeringen ziet, waarbij de regie zoveel mogelijk bij [de minderjarige] ligt en het aan de hulpverlening is om te bepalen wanneer het eerste contact tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden. Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de voortgang van de hulpverlening. 2.2 Inmiddels is gebleken dat de beschikking van 24 april 2025 geen beweging in de zaak heeft gebracht. Er is nog altijd geen contact tussen de vader en [de minderjarige] en er is ook geen hulpverlening gestart die de situatie zou kunnen verbeteren. De laatste ontmoeting tussen de vader en [de minderjarige] is bijna twee jaar geleden en daarvoor hadden zij ook al langere tijd geen contact. Uit de onder 1.2 genoemde berichten van de ouders blijkt dat na die tussenbeschikking aan beide kanten onduidelijkheid bestond over de rol van de raad in het geheel. De vraag was of de aanmelding bij [naam1] wel of niet via de raad zou gaan. In tegenstelling tot de moeder heeft de vader zich in ieder geval ook zelfstandig (opnieuw) aangemeld bij [naam1] . [naam1] heeft de vader op 29 oktober 2025 bericht het dossier (wederom) te hebben gesloten, omdat geen aanvraag van de moeder was ontvangen. 2.3 Naar aanleiding van het verzoek van de vader van 21 november 2025 heeft het hof een nieuwe zitting bepaald die primair tot doel had te bespreken op welke manier betrokkenen zouden kunnen worden doorverwezen naar voor hen passende hulpverlening, zoals in de tussenbeschikking van 24 april 2025 was bepaald. Het hof heeft besloten [naam1] als informant aan te merken en op te roepen voor de zitting van 17 februari 2026. [naam1] heeft aan de oproep van het hof geen gehoor willen geven, omdat zij niet meer betrokken zijn. De door [naam1] telefonisch toegezegde schriftelijke toelichting op hun werkwijze is achterwege gebleven. Op uitdrukkelijk verzoek van het hof was ter zitting een medewerker van de raad aanwezig die inhoudelijk nauw bij (het onderzoek in) de zaak betrokken is. Ter zitting kwam naar voren dat de raad na de laatste tussenbeschikking de zaak niet verder heeft opgepakt en sindsdien niet meer betrokken is geweest. 2.4 Het hof kan niet anders dan concluderen dat het systeem van jeugdhulp ten aanzien van [de minderjarige] faalt. Het lukt maar niet om gedaan te krijgen wat in het belang van [de minderjarige] nodig is. Het hof vindt dat beschamend en verdrietig. Daarnaast heeft de opstelling van de moeder in het hele proces het tot stand brengen van betekenisvol contact tussen [de minderjarige] en haar vader nog verder bemoeilijkt. Niet blijkt dat de moeder na de tussenbeschikking enige actie heeft ondernomen om de voor [de minderjarige] noodzakelijke hulpverlening van de grond te krijgen, ondanks dat het hof de moeder duidelijk heeft aangesproken op haar verantwoordelijkheden als verzorgende ouder. De moeder blijft erbij dat zij heeft geprobeerd om [de minderjarige] te stimuleren, maar dat het voor haar ophoudt als [de minderjarige] niet wil. [de minderjarige] weigert contact(herstel) met de vader en daarop gerichte hulpverlening. Voor [de minderjarige] is er geen vader meer in haar leven, aldus de moeder. Het hof vindt dat zorgelijk om te horen. De moeder voert nu als extra complicerende factor aan dat [de minderjarige] sinds zij 16 jaar is zelf een handtekening moet zetten voor de aanvraag van jeugdhulpverlening. Het hof acht dat een gelegenheidsargument, omdat het belang van [de minderjarige] bij contactherstel met de vader en de daarvoor benodigde hulpverlening de moeder in deze langslepende procedure ook al duidelijk was toen [de minderjarige] nog maar 14 jaar was en het toen ook al niet is gelukt. 2.5 [de minderjarige] heeft het hof op eigen initiatief een brief geschreven voor de zitting van 17 februari 2026. Daarin schrijft zij dat zij nog steeds geen contact met de vader wil en waarom zij dat niet wil. De grote wens van de vader is nog altijd dat het contact met [de minderjarige] wordt hersteld, hoe minimaal en in welke vorm dan ook. Het frustreert de vader dat de daarvoor benodigde hulpverlening niet van de grond komt.