Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-26
ECLI:NL:GHARL:2026:2146
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.669 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 11292371, 11292372 en 11374285 en BM nummer: BM 39929) beschikking van 26 maart 2026 inzake [verzoeker] ( [verzoeker] ), wonende in [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. K.R.E. Blanken. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [belanghebbende1] handelend onder de naam [bedrijfsnaam] , kantoorhoudende in [plaats] , gemeente [gemeentenaam] , verder te noemen: de bewindvoerder en/of de mentor, en [belanghebbende2] (de vader), en [belanghebbende3] (een broer), en [belanghebbende4] (een zus), en [belanghebbende5] (een broer), en [belanghebbende6] (een broer), en [belanghebbende7] (een zus) en [belanghebbende8] (een broer) en [belanghebbende9] (een broer), allen wonende in [woonplaats2] , en [belanghebbende10] (een broer), wonende in [woonplaats3] . 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna ook: de kantonrechter), van 13 mei 2025, uitgesproken onder de hiervoor genoemde zaaknummers. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 augustus 2025; - een brief van [belanghebbende6] , ingekomen op 30 oktober 2025. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 17 februari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren [verzoeker] , zijn partner en zijn advocaat. 3 De feiten 3.1 [verzoeker] is geboren [in] 1973 in district Suriname (Suriname). 3.2 Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2024 zijn de goederen van [verzoeker] onder bewind gesteld als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand en is [bedrijfsnaam] als bewindvoerder benoemd. 3.3 Daarnaast is bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van eveneens 4 juli 2024 een mentorschap ingesteld ten behoeve van [verzoeker] en is [bedrijfsnaam] tevens tot mentor benoemd. 3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 2 augustus 2024, heeft [verzoeker] de kantonrechter verzocht het bewind op te heffen. Dit verzoek is later gewijzigd waarbij [verzoeker] heeft gevraagd de bewindvoerder te ontslaan en zijn partner te benoemen tot opvolgend bewindvoerder. Tijdens de zitting bij de kantonrechter heeft [verzoeker] ook gevraagd de huidige mentor te ontslaan en zijn partner als opvolger te benoemen. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van [verzoeker] afgewezen en is ook overwogen door de kantonrechter dat er voldoende gronden zijn om het bewind en mentorschap te handhaven. 4.2 [verzoeker] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter ongedaan maakt en dat zijn verzoeken tot opheffing van het bewind en mentorschap worden toegewezen. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Uit de artikelen 1:449 lid 2 en artikel 1:462 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de maatregelen van onderbewindstelling en/of mentorschap kunnen worden opgeheven als de noodzaak voor het bewind en/of het mentorschap niet meer bestaat of het bewind en/of mentorschap niet zinvol is gebleken. 5.2 Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat het bewind en het mentorschap dienen te worden opgeheven, omdat geen noodzaak bestaat tot voortzetting van het bewind en het mentorschap. Het hof zal hierna uitleggen waarom het hof tot een andere beslissing komt dan de kantonrechter. 5.3 Uit het dossier en hetgeen is besproken op de zitting blijkt dat [verzoeker] destijds het bewind en het mentorschap heeft aangevraagd met de hulp van zijn zus ( [belanghebbende4] ). [verzoeker] woonde toen tijdelijk bij zijn zus omdat hij was weggegaan bij zijn partner. Volgens Wagin Hosain stelde zijn zus hem voor aan een vrouw die tijdelijk zijn zaken en financiën zou regelen, naar het hof begrijpt de bewindvoerder en mentor. Wagin Hosain heeft daarmee ingestemd, maar hij was toen erg depressief en vatbaar voor beïnvloeding. De bewindvoerder, die niet op de zitting is verschenen en geen verweerschrift heeft ingediend, heeft in een mail aan de zus geschreven dat zij akkoord is met de opheffing van het bewind en het mentorschap als de zus de situatie van [verzoeker] stabiel en veilig genoeg vindt. Uit de brief die de zus aan de rechtbank heeft gestuurd blijkt dat zij achteraf van mening is dat er geen bewind en mentorschap nodig is (geweest), omdat [verzoeker] weer is gaan samenwonen met zijn partner en zij hem, net als in de afgelopen jaren, helpt met zijn financiën en hem begeleidt waar nodig. Verder hebben twee broers ( [belanghebbende6] en [belanghebbende3] ) en de vader van [verzoeker] het hof laten weten dat ook zij een bewind en mentorschap ten behoeve van [verzoeker] niet nodig vinden. 5.4 Naar het oordeel van het hof is [verzoeker] voldoende in staat om zijn belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard weer zelf waar te nemen. Het hof heeft op de zitting [verzoeker] vragen kunnen stellen en hij heeft die vragen beantwoord. Hieruit blijkt dat de persoonlijke en financiële situatie van [verzoeker] stabiel is: hij ontvangt een uitkering, is mantelzorger voor zijn partner en hij heeft geen schulden. Wagin Hosain heeft de sterke wens weer zelfstandigheid te hebben en samen met zijn partner een toekomst op te bouwen. Het hof zijn geen zorgen gebleken die nog langer de vergaande maatregelen van het bewind en het mentorschap rechtvaardigen. Het hof zal daarom het bewind en mentorschap opheffen met ingang van 15 april 2026. Op deze manier heeft de bewindvoerder/mentor enige tijd om met [verzoeker] de overdracht te regelen en (onder meer) de tenaamstelling van rekeningen te veranderen. 5.5 Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen, voor zover het de periode vanaf 15 april 2026 betreft, en zal bekrachtigen voor het overige. 6 De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 13 mei 2025, voor zover het de periode vanaf 15 april 2026 betreft en opnieuw beschikkende: heft op met ingang van 15 april 2026 het bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] , die is geboren [in] 1973 in district Suriname (Suriname); heft op met ingang van 15 april 2026 het mentorschap ten behoeve van [verzoeker] (voornoemd); verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt voornoemde beschikking van 13 mei 2025, voor zover het de periode tot 15 april 2026 betreft; draagt de griffier op krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (Bewindsbureau), in verband met de aantekening in het curatele- en bewindregister; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, P.B. Kamminga en H. Phaff, en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.