ECLI:NL:GHARN:2012:BX6105
GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.077.656
(zaaknummer rechtbank 84261)
arrest in het incident van de vierde civiele kamer van 24 juli 2012
in de zaak van
1. [appellant],
wonende te [Woonplaats]
2. [appellant],
wonende te [woonplaats],
appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [appellanten],
advocaat: mr. B.H. van den Tooren,
tege[geïntimeerde]timeerde],
wonende te [Woonplaats],
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. G.Dik.
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
14 mei 2008 en 25 augustus 2010 die de rechtbank Zutphen tussen [appellanten] als eiseressen in conventie en verweersters in reconventie in de hoofdzaak tevens eiseressen in het incident enerzijds en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in de hoofdzaak tevens verweerster in het incident anderzijds heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.
2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 9 november 2010 met grieven,
- de memorie van antwoord tevens van incidenteel hoger beroep,
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.
2.2 Vervolgens hebben alleen [appellanten] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald op één dossier.
3. De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het vonnis van 25 augustus 2010.
Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt het tussen partijen in het incident gewezen vonnis van de rechtbank Zutphen van 25 augustus 2010;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus dat ieder van partijen haar eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, H. van Loo en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2012.
In het principaal en incidenteel hoger beroep
4.1 Partijen zijn al enkele jaren verwikkeld in juridische procedures betreffende de nalatenschappen van hun ouders. [appellanten] hebben in de aan de orde zijnde procedure in eerste aanleg in de hoofdzaak in conventie, kort gezegd en onder meer, gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot medewerking aan de boedelbeschrijving, vereffening en verdeling van die nalatenschappen (hierna: de nalatenschappen). [geïntimeerde] heeft de vordering in conventie bestreden. Zij heeft daarbij een eis in reconventie ingesteld ertoe strekkende dat de rechtbank een boedelbeschrijving door een boedelnotaris beveelt. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 14 mei 2008 een comparitie van partijen gelast. Tijdens de comparitie van partijen zijn partijen overeengekomen dat zij een notaris aanwijzen als boedelnotaris die een boedelbeschrijving en vereffening van de nalatenschappen tot stand zal brengen teneinde tot een verdeling van de nalatenschappen te komen. De zaak is toen aangehouden. Vervolgens hebben partijen zich bij (antwoord)akte uitgelaten over een deskundigenonderzoek, waarbij [geïntimeerde] heeft aangekondigd dat zij bij de rechtbank een verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek zal indienen. Voorts hebben [appellanten] in het incident provisionele vorderingen ingesteld, kort gezegd, strekkende tot veroordeling van [geïntimeerde] tot medewerking aan een tussentijdse verdeling van contante gelden en in verband daarmee tot oplegging van een dwangsom, en strekkende tot een verbod voor [geïntimeerde] beslagen te leggen onder/ten laste van [appellanten] en tot een gebod voor [geïntimeerde] tot opheffing van beslagen. [geïntimeerde] heeft die vorderingen bestreden. Bij vonnis van 25 augustus 2010 heeft de rechtbank in het incident de provisionele vorderingen van [appellanten] afgewezen, met compensatie van de proceskosten, en in de hoofdzaak de zaak verwezen naar de rol voor uitlating door partijen over de wijze van voortprocederen, met aanhouding van iedere verdere beslissing. [appellanten] hebben vervolgens principaal hoger beroep ingesteld van dat vonnis voor zover in het incident gewezen, waartegen [geïntimeerde] zich heeft verweerd. [geïntimeerde] heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld van dat vonnis voor zover in het incident gewezen, waartegen [appellanten] zich hebben verweerd.
4.2 Het hof merkt op dat zich bij de door [appellanten] overgelegde stukken enkele stukken bevinden die partijen na het vonnis van 25 augustus 2010 bij de rechtbank hebben ingediend - kennelijk - in de periode van 15 juni 2011 tot en met 14 december 2011. Die stukken hebben niet betrekking op en zijn niet genomen in het onderhavige incident en maken geen deel uit van het procesdossier in het incident in eerste aanleg, zodat deze buiten beschouwing zullen worden gelaten.
In het principaal hoger beroep
4.3 [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep moeten worden verklaard, omdat niet duidelijk is welke toelichting welke grief betreft. Door dit laatste is [geïntimeerde] nodeloos in haar verweermogelijkheden geschaad, aldus [geïntimeerde]. Het hof oordeelt dit verweer ongegrond. Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat de toelichting op de grieven niet afzonderlijk per grief is weergegeven, doch dit staat niet eraan in de weg dat [appellanten] naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk hebben gemaakt op welke gronden hun grieven zijn gebaseerd.
4.4 Met grief 2 betogen [appellanten] dat de rechtbank op de rol van 11 augustus 2011 hen ten onrechte het nemen van een akte heeft geweigerd. Deze grief faalt. Wat er verder ook zij van de weigering van de rechtbank een akte te laten nemen, in dit hoger beroep hebben [appellanten] zich nader kunnen uitlaten over het beroep dat [geïntimeerde] heeft gedaan op artikel 3:194 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat zij bij deze grief geen belang meer hebben.
4.5 Grief 1 en grief 3 van [appellanten] zijn gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van hun provisionele vorderingen. Gelet daarop zal het hof beoordelen of die vorderingen toewijsbaar zijn (op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)).
4.6 [appellanten] hebben voldoende processueel belang bij hun vorderingen. De gevorderde voorlopige voorzieningen hangen samen met de hoofdvordering (de vordering tot onder meer verdeling in de hoofdzaak) en zijn gericht op voorzieningen die voor de duur van het geding (de aanhangige bodemprocedure) kunnen worden gegeven, zoals artikel 223 Rv eist. De beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen vergt voorts een belangenafweging, tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.7 [appellanten] stellen, voor zover in dat kader relevant, het volgende. De nalatenschappen moeten volgens de wet in drie gelijke delen tussen partijen worden gedeeld. De omvang van de nalatenschappen moet worden bepaald op basis van wat daarover op dit moment bekend is. Op dit moment is bekend dat al jaren bij een notaris een bedrag van bijna € 600.000,-- geparkeerd staat, welk bedrag voor tussentijdse verdeling in aanmerking komt. [appellanten] wensen op korte termijn te beschikken over hun aandelen in die contanten van bijna € 600.000,--. Zij kunnen die contanten goed gebruiken, respectievelijk wensen deze op lucratievere wijze dan nu het geval is zelf te beleggen. Mocht [geïntimeerde] ooit tot de conclusie komen dat er nog meer vermogen in de nalatenschappen valt, dan kan dat meerdere ook (nog) worden verdeeld. [geïntimeerde] heeft nog altijd geen bewijs bijgebracht van haar stellingen dat de nalatenschappen veel omvangrijker zouden (moeten) zijn en dat [appellanten] uit dien hoofde verhaal jegens [geïntimeerde] zouden moeten bieden. [geïntimeerde] houdt al vele jaren zonder valide reden de verdeling op. [geïntimeerde] maakt misbruik van recht, handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid tussen deelgenoten en handelt onrechtmatig jegens [appellanten] en is daarvoor aansprakelijk. Van [appellanten] kan niet (langer) worden gevergd dat zij de uitkomst van de hoofdzaak afwachten.
4.8 [geïntimeerde] heeft daartegenover het volgende aangevoerd, voor zover relevant. Er bestaan aanwijzingen dat de nalatenschappen veel omvangrijker zijn dan tot op heden is gebleken. Zo heeft de ABNAMRO Bank nog geen openheid gegeven over een coderekening die bij die bank zou zijn aangehouden alsmede over een portefeuille vast rentende aandelen. Daarnaast volgt uit een rapport van Lakeman dat er meer activa zijn dan is verantwoord en dat er grote twijfels zijn betreffende de verkoop van aandelen in het kapitaal van een vennootschap, behorende tot de nalatenschappen, aan onder meer [appellant 1]. (In ieder geval) [appellant 1] heeft een schuld van minimaal f 500.000,-- aan de nalatenschappen verzwegen. Bus verbeurt dan ook op grond van artikel 3:194 lid 2 BW haar aandeel in de met die schuld corresponderende vordering aan de andere deelgenoten van de nalatenschappen. Als de gevorderde voorlopige verdeling zal plaatsvinden, zal [appelant 1], na uitbetaling aan haar van haar deel van die bijna € 600.000,--, geen verhaal meer bieden voor een vordering op haar betreffende het hiervoor genoemde verbeurde aandeel. Meer verhaal is er niet, althans is niet bekend. [geïntimeerde] zal geen medewerking weigeren aan een eventueel mogelijke lucratievere wijze van beleggen. De provisionele vordering tot verdeling is in strijd met de afspraak tussen partijen dat over het bij de notaris gestalde bedrag alleen kan worden beschikt als partijen daar akkoord mee zouden gaan.
4.9 Het hof oordeelt als volgt. [appellanten] wensen op korte termijn over hun aandelen in de bijna € 600.000,-- te beschikken, omdat zij die goed kunnen gebruiken en lucratiever wensen te beleggen. Zij hebben daarmee belang bij de provisioneel gevorderde tussentijdse verdeling.