Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2015-03-17
ECLI:NL:GHDHA:2015:1021
Civiel recht
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.166.026/01 Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/484031 / KG ZA 15/291 Arrest d.d. 17 maart 2015 inzake [appellante], thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [plaats], appellante, hierna te noemen: [appellante] advocaat: mr. D.R. Changoer te Amsterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag. Na verkregen verlof om op verkorte termijn te mogen dagvaarden, is [appellante] bij spoedappeldagvaarding van 13 maart 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 maart 2015 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de voorzieningenrechter) tussen partijen heeft gewezen. [appellante] heeft daarbij zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Staat heeft deze grieven bij memorie van antwoord bestreden. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten op 17 maart 2015, beide aan de hand van pleitnotities, waarna zij arrest hebben gevraagd. Diezelfde dag is verkort arrest gewezen. Het onderstaande is de uitwerking daarvan. Het hof: - bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; - veroordeelt [appellante] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 711,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat, bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest; - verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, M.E. Honée en H.C. Grootveld en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2015 in aanwezigheid van de griffier. 1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder 2. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Gelet daarop en op hetgeen partijen overigens onweersproken hebben aangevoerd, gaat het in deze zaak, samengevat, om het volgende. 1.1. Aan [appellante] zijn bij een viertal beschikkingen geldboetes opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Deze boetes zien op overtredingen die zijn gepleegd op 22 mei 2012 (tweemaal), 22 september 2012 en 26 oktober 2012. 1.2. De kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de kantonrechter) heeft op verzoek van de officier van justitie voor elk van de vier sancties een machtiging tot gijzeling verleend voor de duur van (elk) zeven dagen. Twee machtigingen zijn afgegeven op 18 december 2012, een op 15 mei 2013 en een op 4 augustus 2014. 1.3. [appellante] is op 25 februari 2015 na een verblijf op Aruba op Schiphol gearriveerd en aldaar in gijzeling genomen op grond van voormelde machtigingen. Zij is thans nog uit dien hoofde gedetineerd. 2. [appellante] vordert in dit kort geding, zakelijk weergegeven, een bevel aan de Staat om de gijzeling te (doen) beëindigen en haar onmiddellijk in vrijheid te (doen) stellen en de signalering te beëindigen. [appellante] legt hieraan ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt door haar te gijzelen. 3. Bij het bestreden vonnis is de vordering van [appellante] afgewezen. Hiertegen richt zich het onderhavige appel. 4. Bij de beoordeling van de grieven staat het volgende voorop. Vaststaat dat de in het geding zijnde administratieve sancties onherroepelijk zijn; [appellante] stelt deze in dit geding ook niet ter discussie. Op grond van artikel 25 lid 2 Wahv kan de officier van justitie gedurende twee jaar nadat ten aanzien van de administratieve sancties een onherroepelijke beslissing is genomen, verhaal nemen, bijvoorbeeld op de goederen van de betrokkene (met dwangbevel, artikel 26 Wahv) of op de inkomsten uit arbeid of uitkering dan wel op het tegoed van een bankrekening (zonder dwangbevel, artikel 27 Wahv). Indien de administratieve sanctie niet wordt voldaan en verhaal als bedoeld in de artikelen 26 en 27 Wahv niet of niet volledig heeft kunnen plaatsvinden, voorziet de wet in verschillende dwangmiddelen, te weten inneming van het rijbewijs (artikel 28a Wahv), buitengebruikstelling van een voertuig (artikel 28b Wahv) en gijzeling (artikel 28 Wahv). Het doel van deze dwangmiddelen is te bereiken dat de sancties worden geïnd. 5. Voor de toepassing van het dwangmiddel gijzeling is een machtiging van de kantonrechter vereist. De betrokkene moet hierop worden gehoord en daartoe behoorlijk worden opgeroepen. Tegen de beschikking van de kantonrechter waarbij een machtiging tot gijzeling wordt verleend, staat geen rechtsmiddel open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat in dit geding van de rechtmatigheid van de machtigingen dient te worden uitgegaan. De civiele rechter dient zich bij de beoordeling van een vordering als de onderhavige dan ook terughoudend op te stellen. Alleen in bijzondere omstandigheden kan een bevel worden gegeven om de gijzeling op te heffen. 6. Volgens [appellante] is sprake van zodanige bijzondere omstandigheden en maakt de Staat bovendien misbruik van zijn bevoegdheid om gebruik te maken van de machtigingen, zodat ook om die reden de gijzeling dient te worden opgeheven. 7. Het hof overweegt als volgt. 8. In reactie op de stelling van [appellante] (in de toelichting op grief 1 onder 14) dat twee van de vier machtigingen niet zijn ondertekend, heeft de Staat bij memorie van antwoord alsnog kopieën van de getekende versies van de machtigingen overgelegd. Het hof ziet geen aanleiding eraan te twijfelen dat het hier om kopieën van de originele beschikkingen gaat. 9. [appellante] heeft aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de zittingen bij de kantonrechter (toelichting op grief 1, appeldagvaarding onder 7) en zij bestrijdt dat zij destijds behoorlijk is opgeroepen (toelichting op grief 2, appeldagvaarding onder 16). Niet in geschil is dat [appellante] op de bewuste momenten geen bekende woon- of verblijfplaats had, zodat zij kon worden opgeroepen door middel van een openbaar exploot in het Algemeen Dagblad. De Staat stelt dat dit ook is gebeurd. Hij beschikt niet meer over afschriften van de advertenties, maar heeft wel verklaard dat in zijn systemen de data 7 november 2012 (tweemaal), 27 maart 2013 en 23 juni 2014 zijn geregistreerd als aanmaak van de advertenties. [appellante] heeft betwist dat de oproeping aldus is geschied. Zoals de Staat echter terecht heeft aangevoerd, heeft de kantonrechter in de beschikkingen vastgesteld dat [appellante] behoorlijk was opgeroepen en brengt het onder 5 vermelde gesloten stelsel mee dat van de juistheid van deze vaststelling dient te worden uitgegaan. De blote betwisting door [appellante] is onvoldoende om hierop een uitzondering te maken. 10. [appellante] stelt zich voorts op het standpunt dat de kantonrechter de machtigingen niet had mogen afgeven omdat uit de beschikbare zaakoverzichten niet bleek welke pogingen tot verhaal waren ondernomen (grieven 1 en 4). De voorzieningenrechter is daarom ten onrechte uitgegaan van de rechtmatigheid van de machtigingen en het gebruik van die machtigingen levert bovendien misbruik van bevoegdheid op, omdat zij berusten op een klaarblijkelijk juridische misslag, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellante]. Ook dit betoog stuit af op het onder 5 vermelde gesloten stelsel. Uitgegaan moet worden van de juistheid van het in de machtigingen neergelegde oordeel van de kantonrechter dat voldaan is aan vereiste van artikel 28 Wahv dat gijzeling kan worden gevorderd indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 Wahv heeft plaatsgevonden. Voor een inhoudelijke beoordeling van de toets door de kantonrechter is dan ook geen plaats en hetgeen [appellante] heeft aangevoerd omtrent de zaakoverzichten kan niet de conclusie dragen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen en/of dat sprake is van een klaarblijkelijke juridische misslag. Niet in geschil is dat [appellante] in de periode waarin de machtigingen werden gevorderd respectievelijk afgegeven – te weten van 5 juli 2012 tot 19 juni 2013 (eerste drie machtigingen) en van 13 februari 2014 tot heden (vierde machtiging) – niet in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven. Volgens de Staat was verhaal op grond van artikel 26 en 27 Wahv om die reden niet mogelijk en waren er daarom evenmin aanknopingspunten voor toepassing van de dwangmiddelen inneming rijbewijs of buitengebruikstelling voertuig. Wel zijn regelmatig GBA-adresverificaties uitgevoerd. Nadat [appellante] in oktober 2013 – zij had toen tijdelijk weer een GBA-adres – beroep had ingesteld tegen de onderhavige sancties (uiteindelijk zonder succes) zijn voorts opnieuw aanmaningen gestuurd ten aanzien van de drie oudste sancties en een nieuwe initiële beschikking ten aanzien van de vierde sanctie. Tot nadere verhaalsacties is het niet gekomen, omdat [appellante] zich in februari 2014 weer heeft laten uitschrijven. Het hof acht dit voorshands een overtuigend betoog. Omdat de zaken dus niet aan de deurwaarder zijn overgedragen, wekt het ook geen verbazing dat in de zaakoverzichten een toelichting van de deurwaarder ontbreekt. Voor een nadere toelichting van het CJIB (naast hetgeen reeds uit de zaakoverzichten blijkt) bestond anders dan [appellante] suggereert onder de gegeven omstandigheden evenmin aanleiding. 11. [appellante] stelt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft aangenomen dat sprake is van betalingsonmacht in plaats van betalingsonwil (grief 5).
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 28a — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 28b — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 27 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 25 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 28 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
- Artikel 26 — Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften