Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2016-04-20
ECLI:NL:GHDHA:2016:2246
Strafrecht
Rolnummer: 22-003857-14 Parketnummer: 09-164964-14 Datum uitspraak: 20 juli 2016 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2014 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1979, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 22 februari 2016 en 6 juli 2016. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Verzoek terugwijzing naar rechter in eerste aanleg Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om de zaak op grond van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg, omdat de politierechter geen beslissing tot aanhouding heeft genomen op de mededeling van de verdachte dat hij vanwege ziekte verhinderd was om op die terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen. Nu het recht op een eerlijk proces door het missen van een instantie is geschonden, verzoekt de raadsman de zaak terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg, zodat de berechting in twee feitelijke instanties kan plaatsvinden. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uitgangspunt van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de op dat artikel gebaseerde jurisprudentie is dat de verdachte recht heeft op een behandeling van zijn strafzaak in twee feitelijke instanties, alsmede dat eventuele onvolkomenheden in de procedure in eerste aanleg door de appelrechter kunnen worden hersteld. Uit het grievenformulier d.d. 10 september 2014 blijkt dat de verdachte als grief heeft opgegeven dat hij ‘alles ’t liefst tegen de rechter wil zeggen, dat lijkt mij ’t beste’. Naar aanleiding van een drietal e-mailberichten d.d. 28 augustus 2014 heeft het hof op 22 februari 2016 beslist dat er alsnog een proces-verbaal van de terechtzitting van 28 augustus 2014 diende te worden opgemaakt. Dit proces-verbaal bevindt zich thans bij de stukken. Uit dit uitgewerkte proces-verbaal blijkt dat de politierechter ter zitting eerst onderzoek heeft gedaan naar de reden van afwezigheid van de verdachte en vervolgens heeft bevolen dat de behandeling buiten aanwezigheid van verdachte werd voortgezet. Mitsdien heeft de politierechter ter zitting bewust de beslissing genomen om de zaak niet aan te houden en bij verstek af te doen. Van omstandigheden die, op de voet van het bepaalde in artikel 423, tweede lid van het Wetboek van Straf-vordering, zouden moeten leiden tot terugwijzing van de zaak naar de politierechter is het hof niet gebleken, zodat het verweer van de raadsman faalt. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals(e) of vervalst(e) rijbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers verdachte had toen en daar in zijn bezit een rijbewijs (gesteld op zijn naam) vervaardigd - met inktjettechniek in plaats van offsettechniek en/of - zonder origineel optisch variabel element en/of - zonder origineel kinegram en/of - zonder pasfoto in Imageperf techniek en/of - zonder origineel voelbaar element en/of - zonder UV-licht reactie, derhalve niet voorzien van de echtheidskenmerken van een origineel rijbewijs. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals(e) of vervalst(e) rijbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers verdachte had toen en daar in zijn bezit een rijbewijs (gesteld op zijn naam) vervaardigd - met inktjettechniek in plaats van offsettechniek en/of - zonder origineel optisch variabel element en/of - zonder origineel kinegram en/of - zonder pasfoto in Imageperf techniek en/of - zonder origineel voelbaar element en/of - zonder UV-licht reactie, derhalve niet voorzien van de echtheidskenmerken van een origineel rijbewijs. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, op gronden als vermeld in de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota, de fouillering van de verdachte onrechtmatig is geweest en dat hetgeen er is aangetroffen dient te worden uitgesloten van het bewijs, zodat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het noodzakelijke opzet, een en ander zoals nader toegelicht in de door de raadsman overgelegde pleitnota. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding zagen de verbalisanten op 31 juli 2014 twee personen op een snorfiets zonder kentekenplaat rijden. De bestuurster werd staande gehouden en had geen legitimatie bij zich. De bijrijder van de snorfiets, naar later bleek de verdachte, werd eveneens gevraagd zijn legitimatiebewijs te tonen om vast te stellen of hij mogelijk de eigenaar van de snorfiets was. De verdachte gaf aan ook geen legitimatiebewijs bij zich te hebben. De verdachte is vervolgens meerdere malen gevraagd zijn persoonsgegevens op te geven. Hij wenste daaraan niet mee te werken. Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. A.H. de Wild, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juli 2016. Mr. A.H. de Wild is buiten staat dit arrest te ondertekenen.