Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2016-12-20
ECLI:NL:GHDHA:2016:4282
Civiel recht
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht Uitspraakdatum : 20 december 2016 Zaaknummer : 200.156.250/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : 114590 / HA ZA 11-602 Arrest in de zaak van: CMA CGM S.A., gevestigd te Marseille (Frankrijk), appellante, hierna te noemen: CMA, procesadvocaat: mr. J.P. Heering (Den Haag), behandelend advocaat: mr. A. Jumelet, tegen SAND DUKE MARINE CO. LTD., gevestigd te Valetta (Malta), geïntimeerde, hierna te noemen: Sand Duke, advocaat: mr. M.M. van Leeuwen (Rotterdam). CMA is bij exploot van 29 april 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 april 2014, door de Rechtbank Rotterdam gewezen tussen haar als eiseres en Sand Duke als gedaagde. Bij memorie van grieven heeft zij zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd. Die zijn door Sand Duke bij memorie van antwoord bestreden. Daarna hebben partijen arrest gevraagd. inleiding 1. In deze renvooiprocedure gaat het over de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek (ex art. 642a Rv juncto art. 8:750 BW) van Sand Duke om (door het stellen van een zakenfonds ex art. 8:755 BW) haar aansprakelijkheid te beperken voor schade die is ontstaan door een aanvaring op 4 april 2010 in Turkse wateren tussen het aan haar in eigendom toebehorende m.s. ‘Odessa Star’ en het m.s. ‘CMA CGM Verlaine’ van de Duitse rederij Bereederungs- und Schiffahrtsgesellschaft mbH & Co m.s. ‘Buxcliff’ (hierna: BSB), die dit schip in tijdbevrachting had gegeven aan CMA. 2. Sand Duke heeft bedoeld verzoek op 1 juni 2010 ingediend in reactie op een door BSB op 10 mei 2010 bij de Rechtbank Rotterdam tegen haar ingestelde vordering tot verklaring voor recht dat (en in hoeverre) zij (Sand Duke) aansprakelijk is voor de door BSB als gevolg van bedoelde aanvaring geleden en nog te lijden schade. Tegen dat verzoek is toen (2010) door een als ‘slot charterer’ bij de CMA CGM Verlaine betrokken partij - genaamd ANL Container Line Pty Ltd., vertegenwoordigd door mr. A. Jumelet voornoemd - als verweer aangevoerd dat de rechtbank bevoegdheid tot kennisneming van het verzoek mist. De rechtbank heeft dat verweer verworpen en het verzoek van Sand Duke toegewezen door te bepalen tot welk bedrag de aansprakelijkheid van Sand Duke zal zijn beperkt, met (i) bevel aan Sand Duke om voor dat bedrag een fonds te stellen (door middel van een te deponeren garantie) en (ii) benoeming van een vereffenaar voor dit fonds, een en ander bij beschikking van 4 augustus 2010, tegen welke beschikking geen rechtsmiddel is aangewend. 3. Op de nadien - 10 oktober 2012 - gehouden verificatievergadering is opnieuw de bevoegdheid van de Rotterdamse rechtbank bestreden, toen niet door ANL, maar door CMA. De rechter-commissaris heeft CMA en Sand Duke ter zake van dit bevoegdheidsgeschil naar de terechtzitting verwezen. Bij die verwijzing, die heeft geleid tot de onderhavige renvooiprocedure, heeft de rechter-commissaris erop gewezen dat uit het arrest HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1522 (‘Vertrouwen’) volgt dat een preliminair verweer, dat al in de beginfase is behandeld en ongegrond bevonden, in de verificatiefase opnieuw aan de orde kan komen en dan – bij betwisting – in een renvooiprocedure moet worden behandeld en beoordeeld. 4. In het thans bestreden vonnis van 2 april 2014 heeft de rechtbank CMA’s vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen. Tegen die afwijzing (en de daaraan gekoppelde kostenveroordeling) richt zich het hoger beroep. de grieven 5. De grieven vormen een herhaling van het door CMA in de eerste aanleg verdedigde standpunt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van het beperkingsverzoek van Sand Duke. Dat standpunt is door de rechtbank echter terecht verworpen, reden waarom de grieven falen. Ter toelichting wordt het volgende overwogen. 6. Het beperkingsverzoek is gebaseerd op het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23 en Trb. 1984, 31; hierna het Beperkingsverdrag 1976 of kortweg het Verdrag). Dit Beperkingsverdrag 1976 is door Nederland met ingang van 1 januari 2012 opgezegd (Trb. 2011,45). Daarvoor in de plaats geldt thans het op 2 mei 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996 tot wijziging van het Verdrag inzake de beperking van aansprakelijkheid van maritieme vorderingen, 1976, in werking getreden op 23 maart 2011, Trb. 2011, 46. Art. 9 van het Protocol bepaalt (lid 1) dat het Protocol en het Beperkingsverdrag 1976 door de partijen bij het Protocol tezamen worden gelezen en als een enkel instrument worden uitgelegd en (lid 3) dat het Beperkingsverdrag 1976 zoals gewijzigd door het Protocol slechts van toepassing is op vorderingen die voortvloeien uit gebeurtenissen die zich voordoen nadat dit Protocol ten aanzien van iedere Staat in werking is getreden. In het onderhavige geval gaat het om een gebeurtenis van 4 april 2010, derhalve van vóór die inwerkingtreding, waarop daarom het Beperkingsverdrag 1976 van toepassing is (vgl. art. 15 lid 1 van het Verdrag: ‘This Convention shall apply whenever any person referred to in Article 1 seeks to limit his liability before the Court of a State Party [..]’). 7. Het Beperkingsverdrag 1976 kent geen expliciete bevoegdheidsbepaling. Wel wijst art. 11 van het Verdrag degene die zijn aansprakelijkheid wenst te beperken de weg; dat kan ‘with the Court or other competent authority in any State Party in which legal proceedings are instituted in respect of claims subject to limitation’. Die bepaling zegt echter niet welke rechter bevoegd is met betrekking tot de rechtsvordering ‘in respect of claims subject to limitation’, als hoedanig de door BSB in mei 2010 bij de Rechtbank Rotterdam tegen Sand Duke aanhangig gemaakte vordering (tot verklaring voor recht dat en in hoeverre Sand Duke aansprakelijk is voor de door BSB als gevolg van de aanvaring geleden en te lijden schade) is aan te merken. De bevoegdheid ten aanzien van die vordering dient in dit geval te worden vastgesteld aan de hand van de EEX-Verordening; Sand Duke en BSB zijn immers gevestigd in lidstaten van de Europese Unie, terwijl de vordering (ook overigens) binnen het formeel, materieel en temporeel toepassingsgebied van die verordening valt. Niet in geschil is dat tussen Sand Duke en BSB een geldig forumkeuzebeding ex art. 23 EEX-Verordening is overeengekomen. Dat beding verwijst (exclusief) naar de Rechtbank Rotterdam. Die rechtbank zou trouwens ook zonder de forumkeuze bevoegd zijn geweest, en wel op basis van art. 24 EEX-Verordening, omdat mag worden aangenomen dat Sand Duke ook in dat geval zou zijn verschenen, zonder daarbij de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten. Naar de bewoordingen van art. 11 van het Beperkingsverdrag 1976 kon Sand Duke dan ook een beperkingsfonds vormen – en een verzoek daartoe indienen – bij de Rechtbank Rotterdam. 8. Wat nu CMA bepleit, komt erop neer dat, in weerwil van die bewoordingen, art. 11 aldus moet worden uitgelegd/toegepast dat fondsvorming hier te lande toch niet mogelijk is, omdat andere in aanmerking komende jurisdicties, waarmee de zaak meer binding heeft, hogere beperkingslimieten kennen en de (jurisdictie)keuze om hier te lande de vordering tegen de aansprakelijke scheepseigenaar aanhangig te maken is ingegeven door de wens om te profiteren van de lagere limieten, terwijl een of meer andere crediteuren daar financieel nadeel van ondervinden, aangezien zij beter uit zouden zijn bij toepassing van de hogere limieten. Hierbij wijst CMA erop dat de zaak, wat de plaats van de aanvaring betreft (Turkse wateren), en de woonplaats van de reders van de bij die aanvaring betrokken schepen (Malta en Duitsland), maar ook overigens, binding met de Nederlandse rechtssfeer mist. Ook benadrukt zij dat de strekking van art. 11 van het Beperkingsverdrag 1976 is dat degene die verwacht dat hij zal worden aangesproken voor een vordering die aan beperking onderhevig is niet onmiddellijk een limitatiefonds in een Verdragsstaat van zijn keuze kan vormen, maar het initiatief van zijn mogelijke tegenpartij zal moeten afwachten (zie het citaat in rov. 3.5.2 van HR 20 dec. 1996 (Sherbro), ECLI:NL:HR:1996:ZC2232 uit de MvA bij de goedkeuringswet van het Verdrag). Op die wijze is beoogd forumshopping tegen te gaan. Onverenigbaar daarmee is dat, zoals hier is gebeurd, Sand Duke en BSB - de reders van de bij de aanvaring betrokken schepen met allebei dezelfde cascoverzekeraar - samen op zoek gaan naar een voor hen zo gunstig mogelijk beperkingsregime om daar dan jurisdictie te kiezen. Onder die omstandigheid is de door BSB bij de Rechtbank Rotterdam tegen Sand Duke aanhangig gemaakte procedure niet aan te merken als een door de tegenpartij van Sand Duke aanhangig gemaakte procedure, aldus telkens CMA, die bovendien vindt dat Sand Duke, door hier te lande om beperking te verzoeken, misbruik van recht/bevoegdheid maakt in de zin van art. Het hof: - bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; - veroordeelt CMA in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Sand Duke bepaald op € 704,= aan verschotten en op € 894,= aan salaris voor de advocaat; - verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.M. Olthof en H.M. Wattendorff en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016 in aanwezigheid van de griffier.