ECLI:NL:GHDHA:2017:3563
ECLI:NL:GHDHA:2017:3563 text/xml public 2025-03-21T18:03:39 2017-12-14 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2017-12-19 200.213.366 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl AR 2018/2 AR-Updates.nl 2018-0018 VAAN-AR-Updates.nl 2018-0018 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:3563 text/html public 2017-12-22T08:07:16 2017-12-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2017:3563 Gerechtshof Den Haag , 19-12-2017 / 200.213.366 levensfasebudgeturen, CAO GGZ, vakantie? onregelmatigheidstoeslag GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.213.366/01 Zaak- en rolnummer rechtbank: 5134522 HA VERZ 16-106 beschikking van 19 december 2017 inzake Stichting Yulius, gevestigd te Dordrecht, verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: Yulius, advocaat: mr. J.D. de Rooij te Rotterdam, tegen [verweerster] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: mr. M.M. Pasman te Haren (Gr). Het geding Bij beroepschrift (met bijlagen) ter griffie ingekomen op 5 april 2017 is Yulius in hoger beroep gekomen van de tussen haar als verweerster en [verweerster] als verzoekster gewezen beschikkingen van 14 november 2016 en 10 januari 2017 van de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Dordrecht (hierna: de kantonrechter). Daarbij heeft Yulius zes grieven aangevoerd. Deze grieven zijn door [verweerster] bij verweerschrift (met bijlage) bestreden. Bij akte van 5 september 2017 heeft Yulius haar verzoek verminderd, aldus dat de grieven 1, 2 en 4 zijn ingetrokken. Op 8 september 2017 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben doen toelichten, Yulius door de mrs. I.H. Kersten en S.I. Witkamp, advocaten te Rotterdam en [verweerster] door haar advocaat voornoemd, allen aan de hand van aantekeningen. Bij die gelegenheid hebben partijen de hierna te bespreken afspraak gemaakt over een verdere beperking van het geschil in hoger beroep. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is een datum van de uitspraak bepaald. Beoordeling van het hoger beroep Het gaat in deze zaak om het volgende. In eerste aanleg heeft [verweerster] verzocht om Yulius te veroordelen tot betaling van verschillende bedragen aan achterstallige onregelmatigheidstoeslag over: (i) wettelijke vakantie-uren, (ii) bovenwettelijke vakantie-uren, (iii) compensatie-uren en (iv) levensfasebudget-uren. Op deze grondslag heeft de kantonrechter Yulius veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.886,10 bruto, onder overlegging van een deugdelijke specificatie, vermeerderd met wettelijke rente. Yulius is in de proceskosten veroordeeld. In hoger beroep heeft Yulius verzocht dat de bestreden beschikkingen worden vernietigd en de vorderingen van [verweerster] alsnog worden afgewezen. Na het intrekken van de grieven 1, 2 en 4 hebben partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling afgesproken dat het hof uitsluitend een oordeel wordt gevraagd over de verschuldigdheid van het bedrag aan onregelmatigheidstoeslag over levensfasebudget-uren. Het hof begrijpt dat ook een oordeel over de proceskosten wordt gevraagd, uitsluitend gerelateerd aan het oordeel over dit overblijvende geschilpunt. Het hof overweegt als volgt. Het gaat in deze zaak om aanspraken, waarop de jaargangen 2010/2011, 2011/2013 en 2015/2017 van de CAO GGZ van toepassing waren. Al deze jaargangen kennen levensfasebudget-uren (hierna: LFB-uren). Deze zijn steeds geregeld in hoofdstuk 12C van de CAO GGZ. Het systeem houdt in dat de werknemer “naast vakantie-uren” per kalenderjaar een aantal verlofuren krijgt in de vorm van een levensfasebudget. Over dit budget is bepaald: “[d]e werknemer benut zijn levensfasebudget voor zijn duurzame inzetbaarheid in elke levensfase” (art. 1 lid 1). Deze LFB-uren kennen drie wijzen van aanwending (art. 1 lid 4): deze kunnen jaarlijks worden opgenomen, ze worden gespaard om later op te nemen (art. 3) of ze kunnen als geld worden gestort op de “Levenslooprekening” van de werknemer (art. 4). In geschil is of de LFB-uren, indien deze als verlof worden opgenomen, gelden als vakantie-uren in de zin van art. 7:639 BW en art. 7 van Richtlijn 2003/88 EG (de Arbeidstijdenrichtlijn) en, in het bevestigende geval, of de onregelmatigheidstoeslag - een in de CAO GGZ geregelde toeslag op het loon voor werken op onregelmatige tijden - dan dient te worden doorbetaald over het genoten (vakantie)verlof. Het hof stelt voorop dat boek 7, titel 10, derde afdeling van het BW – waarin het recht op vakantie is geregeld – noch de Arbeidstijdenrichtlijn of de CAO GGZ een definitie van het begrip “vakantie” kennen. Aangenomen mag worden dat het bij vakantie steeds gaat om betaald verlof. In ECLI:NL:HR:1998:ZC2572, r.o. 3.3 is geoordeeld dat het doel van de vakantieregeling is: “de werknemer in verband met de werkbelasting die op hem drukt betaald verlof te verschaffen” . Dit oordeel is nadien bevestigd in ECLI:NL:HR:2000:AA5650, r.o. 3.4 en ECLI:NL:HR:2009:BI9633, r.o. 3.2.1. Deze doelstelling wordt ook wel als de recuperatiefunctie aangeduid. Zo is - bijvoorbeeld -in de totstandkomingsgeschiedenis van (onder meer) art. 7:640a BW over de recuperatiefunctie van vakantie gezegd: “Gelet op het belang van tijdige recuperatie door het opnemen van vakantie is het van belang dat alle werknemers met het oog op de veiligheid en gezondheid, gestimuleerd worden om met regelmaat gebruik te maken van hun minimum vakantieaanspraak. De huidige mogelijkheid van (meerjarig) uitstel van de minimum vakantieaanspraken doet naar het oordeel van de regering onvoldoende recht aan het doel en het belang van vakantieopname, te weten tijdige recuperatie. De regering vindt voor deze opvatting steun in de jurisprudentie van het HvJEG. Volgens vaste rechtspraak beschouwt het HvJEG het recht op vakantie met behoud van loon als een bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht waarvan niet mag worden afgeweken. In het belang van een doeltreffende bescherming van zijn veiligheid en gezondheid moet een werknemer daadwerkelijk rust kunnen nemen. De rustperiode boet niet aan belang in wanneer hij in een volgende periode wordt genomen (r.o. 31 van het arrest Schultz-Hoff waarbij ook het zogenoemde FNV-arrest (C-124/05) wordt aangehaald). Alleen bij wijze van uitzondering, kan bij het einde van het dienstverband het minimum-recht worden vervangen door een financiële vergoeding” (TK 2009/2010, 32465, nr. 3, p.6; zie hierover ook conclusie AG sub 3.14 bij NJ 2016/166, ECLI:NL:PHR:2015:356). 9. Samenvattend en anders gezegd: vakantie betreft betaald verlof, waarmee wordt beoogd de werknemer te laten recupereren – herstellen - van de werkbelasting. De vraag is dan ook of het systeem van de LFB-uren dit oogmerk heeft. 10. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Doel van deze regeling is als gezegd het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van de werknemer in elke levensfase. Dit doel is niet gelijk te stellen aan of op een lijn te stellen met de recuperatiefunctie in verband met de werkbelasting . Anders dan in de vakantieregeling is het verlof in de regeling van de LFB-uren niet gericht op het herstellen van de werkbelasting. Doel van de regeling is de individuele werknemer in staat te stellen desgewenst minder te werken in verband met de belasting die een bepaalde levensfase meebrengt. Die belasting kan van allerlei aard zijn, zoals de zorg voor kinderen of naasten, beperkingen als gevolg van leeftijd, of vanwege (andere) privéomstandigheden. Het gaat dan steeds om individuele omstandigheden. Zo kan de werknemer er ook voor kiezen deze LFB-uren in geld te genieten of op te sparen en pas op enig moment in de toekomst op te nemen, bijvoorbeeld omdat deze werknemer geen behoefte heeft aan jaarlijkse extra verlofuren maar het geld wenst te gebruiken voor een opleiding of een reis, respectievelijk in de toekomst een “sabbatical” wil nemen of eerder met pensioen wenst te gaan.