Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2019-11-06
ECLI:NL:GHDHA:2019:3267
Strafrecht
Rolnummer: 22-002986-19 Parketnummer: 05-024693-18 Datum uitspraak: 6 november 2019 Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 8 mei 2018 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994, thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande. Verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag De zaak is onder rolnummer 21-002881-18 aanhangig gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, en vervolgens - op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) in verband met de “Regeling tijdelijke aanwijzing gerechtshof Den Haag voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2019” (Stcrt. 2019, nr. 22870) - verwezen naar het gerechtshof Den Haag, dat ingevolge genoemde Regeling is aangewezen als ander gerechtshof als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, RO. Nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2019 is gebleken dat de betekening van de dagvaarding van de verdachte om op die terechtzitting te verschijnen niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig de voorschriften van artikel 588 van het Wetboek van Strafvordering, nu ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat getracht is de dagvaarding op het in de volmacht tot het instellen van hoger beroep opgegeven adres, te weten [adres], aan de verdachte uit te reiken. Dat adres zou immers redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte kunnen gelden. Dat wel is gepoogd de appeldagvaarding uit te reiken op het BRP-adres van de verdachte doet aan het voorgaande niet aan af, aangezien het adres [adres 2] het adres van een penitentiaire inrichting betreft en de verdachte op het moment waarop de betekeningspoging werd gedaan daar niet meer verbleef. Nu de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en niet is gebleken dat zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte tevoren met de dag van die terechtzitting bekend was, dient de dagvaarding in hoger beroep nietig te worden verklaard. Het hof: Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig. Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 november 2019.