Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2020-03-11
ECLI:NL:GHDHA:2020:2411
Civiel recht
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 11 maart 2020 Zaaknummer : 200.262.684/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 18-6566 Zaaknummer rechtbank : C/09/559628 [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp, tegen [naam 1] , zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: de man, in beroep niet verschenen. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden, hierna te noemen: de raad. De vrouw is op 15 juli 2019 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 april 2019 van de rechtbank Den Haag. De zaak is op 7 november 2019 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, [naam 2] , begeleider van Vluchtelingenwerk en een tolk Tigrinya, [naam 1] . Ter zitting heeft de vrouw overgelegd na te noemen beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2019 (Rekestnummer: FA RK 18-6549, Zaaknummer: C/09/559592). Na de zitting is, volgens afspraak ter zitting, van de zijde van vrouw op 2 januari 2020 een V-formulier met bijlagen bij het hof binnengekomen. Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de vrouw tot het uitspreken van de echtscheiding met nevenvoorziening afgewezen. Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en in hoger beroep opnieuw beschikkende; spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 16 februari 2014 te [plaats] , Eritrea. bepaalt dat de minderjarige [naam minderjarige] , geboren [geboortedatum] , hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw; verklaart deze beschikking ten aanzien van de hoofdverblijfplaats uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, A.A.F. Donders en K.T.J.M. Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. M.M. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2020. 1. In geschil is de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot het uitspreken van de echtscheiding met nevenvoorziening. 2. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen onder gelijktijdige toewijzing van het verzoek tot echtscheiding en nevenvoorziening en het verzoek het hoofdverblijf van de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] , bij de vrouw te bepalen. Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.1. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevond en deze daar sinds ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. 3.2. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. 3.3. De vrouw heeft gesteld dat partijen met elkaar zijn gehuwd op 16 februari 2014 te [plaats] , Eritrea. Zij heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn. 3.4. De vrouw heeft de Eritrese nationaliteit. Zij stelt dat de man eveneens de Eritrese nationaliteit heeft. 3.5. Als minderjarige kind van partijen staat geregistreerd [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna ook te noemen [voornaam minderjarige] . 3.6. Bij de stukken is geen afschrift of uittreksel van de originele huwelijksakte overgelegd. De echtscheiding 4.1. In geschil is het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat is gebleken van onvoldoende onderbouwing van het bestaan van een op 16 februari 2014 te [plaats] , Eritrea, gesloten huwelijk van partijen. Dat de ambtenaar van de burgerlijke stand partijen (kennelijk op grond van de later als vals beoordeelde akte) in Nederland heeft geregistreerd als gehuwd, maakt dit niet anders. 4.2 Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte als volgt beslist. Ingevolge artikel 815 lid 5 Rv wordt bij de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding overgelegd een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte. Lid 6 bepaalt dat indien stukken zoals bedoeld in het vijfde lid niet kunnen worden overgelegd, kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of op andere wijze daarin kan worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. Van de zijde van de vrouw is overgelegd een e-mail van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 26 september 2018. Hieruit volgt dat er een huwelijksakte (kerkelijke akte) aanwezig is bij het Bureau Documenten van de IND, welke huwelijksakte als vals is beoordeeld. De vrouw merkt op dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat zij in Nederland geregistreerd staat als gehuwd op grond van de door de rechtbank genoemde akte. Volgens de vrouw staat zij in de Basisregistratie Personen (BRP) als gehuwd geregistreerd op grond van een verklaring onder ede (verder: VOE). 4.3 De VOE is geregeld in art. 2.8 lid 2 van de Wet Basisregistratie Personen (hierna: Wet BRP. Dit artikel luidt als volgt: 2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand; b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan; c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld; e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend. 4.4 De vrouw heeft in hoger beroep op verzoek van het hof de door haar afgelegde VOE overgelegd. Het betreft een standaardformulier met als aanhef “VERKLARING ONDER EDE/BELOFTE”. De VOE is afgelegd door de vrouw ten overstaan van een ambtenaar van de gemeente Vlagtwedde op 28 oktober 2015. Dit is daags nadat de vrouw een tijdelijke verblijfsvergunning asiel had gekregen. 4.5 Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat de wetgever, met het creëren van de mogelijkheid om het rechtsfeit van een buitenlands huwelijk te ontlenen aan en dus voor inschrijving vatbaar te maken op grond van een (enkele) VOE, bewust het uitgangspunt heeft verlaten dat zulk een feit alleen wordt ingeschreven als zij kan worden ontleend aan een van de geschriften als bedoeld in de leden a-d van lid 2 van genoemd artikel. Het hof heeft geconstateerd dat in de rechtspraak op onderscheiden wijze wordt aangekeken tegen de vraag hoe om te gaan in geval zulke geschriften in het kader van een verzoek tot echtscheiding redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd. Ingevolge artikel 815 lid 6 Rv kan dan worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. De rechtspraak biedt een gevarieerd beeld voor wat betreft dit laatste. Zo wordt soms ondanks het bestaan van een VOE in het kader van een echtscheiding nader (getuigen)bewijs opgedragen van het bestaan van een huwelijk, ook wordt de VOE soms eenvoudigweg terzijde geschoven, en geconcludeerd dat er derhalve geen sprake (meer) is van een rechtsgeldig huwelijk. Gevolg van dit laatste is echter wel dat dit de facto meebrengt dat de betreffende VOE klaarblijkelijk meinedig zou zijn afgelegd. 4.6 Onderhavig geval kenmerkt zich daardoor dat de vrouw ook in hoger beroep consequent haar stelling handhaaft dat sprake is van een huwelijk en dus ook bij haar VOE blijft. Tegen die achtergrond ziet het hof geen aanleiding de VOE in dit geval terzijde te schuiven, nu dat immers zou voeren tot het oordeel dat er helemaal geen sprake is (geweest) van een huwelijk als gesteld. Het hof gaat er dus van uit dat er een tussen partijen gesloten huwelijk is. Naar oordeel van het hof kan, nu de wetgever het in gevallen als het onderhavige bewust mogelijk maakt op grond van een enkele (voorgedrukte) VOE (als bron) ook een rechtsfeit als een huwelijk in te schrijven, van de vrouw in het kader van onderhavig verzoek tot echtscheiding niet meer verlangd worden dan dat zij (een afschrift van) de door haar ingevulde VOE, die de bron vormt voor de inschrijving van dit rechtsfeit, overlegt. Indien dat anders zou zijn, zou de vrouw, die de VOE nu juist als bron aanwendt omdat zij geschriften mist, nimmer kunnen scheiden vanwege de BRP registratie. Kortom, het geheel overziende staat naar oordeel van het hof op grond van de registratie van de VOE het rechtsfeit van een tussen partijen op 16 februari 2014 te [plaats] , Eritrea, gesloten huwelijk genoegzaam vast.