ECLI:NL:GHDHA:2026:570
Rolnummer: 22-000713-24 Parketnummer: 09-294500-23 Datum uitspraak: 13 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 9 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedatum] 2001, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar. Ten slotte is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zoetermeer, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [politieagent] , agent bij de politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, te door te bijten in de arm van die [politieagent] , terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting bij die [politieagent] ten gevolge heeft gehad 2.hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zoetermeer, wederrechtelijk een of meerdere hulpverlener(s), gedurende de uitoefening van zijn/haar/hun beroep, te weten ambulancemedewerker(s) in zijn/haar/hun vrijheid van beweging heeft belemmerd, door aan een brancard te trekken, terwijl die ambulancemedewerker(s) met voornoemde brancard een hulpbehoevende wilde(n) bereiken; 3.hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zoetermeer opzettelijk een of meer ambtenaren,te weten [politieagent] en/of [hoofdagent politie] ,(respectievelijk) agent en/of hoofdagent van de politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankerracisten" en/of "kutchinees", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 250,-. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zoetermeer, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [politieagent] , agent bij de politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, te door te bijten in de arm van die [politieagent] , terwijl dit misdrijf en /of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting bij die [politieagent] , ten gevolge heeft gehad ; 2.hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zoetermeer, wederrechtelijk een of meerdere hulpverlener (s) , gedurende de uitoefening van zijn /haar/hun beroep, te weten ambulancemedewerker (s) in zijn /haar/hun vrijheid van beweging heeft belemmerd, door aan een brancard te trekken, terwijl die ambulancemedewerker (s) met voornoemde brancard een hulpbehoevende wilde (n) bereiken; 3.hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zoetermeer opzettelijk een of meer ambtenaren, te weten [politieagent] en /of [hoofdagent politie] , (respectievelijk) agent en /of hoofdagent van de politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/ hun bediening, in zijn/haar/ hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "kankerracisten" en/of "kutchinees" , althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking . Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: wederrechtelijk een hulpverlener gedurende de uitoefening van zijn beroep in zijn vrijheid van beweging belemmeren of met een of meer anderen zich tegen diens uitdrukkelijk verklaarde wil blijven opdringen of hem op hinderlijke wijze blijven volgen. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Psychische overmacht De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op psychische overmacht toekomt. Hiertoe is, samengevat, het volgende aangevoerd. De verdachte is afkomstig uit Eritrea . In 2016 is de verdachte in zijn eentje naar Nederland gevlucht en enkele jaren later heeft hij zijn ouders, broertjes en zusjes naar Nederland laten komen. Sinds de hereniging fungeert de verdachte als een belangrijke steunpilaar binnen zijn gezin. Vanuit hun culturele achtergrond hangen de verdachte en zijn familie het Eritrees-orthodoxe geloof aan, waarbij door hen wordt geloofd in het bestaan van ziekten met een bovennatuurlijke oorzaak, zoals boze geesten, magie en het ‘boze oog’. Binnen deze geloofsovertuiging wordt aangenomen dat spirituele of religieuze geneeswijzen nodig zijn om iemand te genezen. Westerse medische behandelingen worden in deze context met wantrouwen bekeken. In het bijzonder leeft bij sommige orthodoxe Eritreeërs de overtuiging dat het toedienen van een injectie ernstige – en zelfs dodelijke – gevolgen kan hebben voor een persoon die volgens hen door het ‘boze oog’ is getroffen. Het hiervoor geschetste diepgewortelde geloof is volgens de verdediging een wezenlijk onderdeel van de realiteit van de verdachte en beïnvloedt diens gedrag.
Nadat de verdachte door zijn familieleden was gebeld, omdat er ernstige paniek bestond over de kritische toestand waarin zijn zusje op dat moment verkeerde, is de verdachte naar huis gekomen met het medicijn dat volgens hun geloofsovertuiging zou zorgen voor haar genezing van het ‘boze oog’. Ter plaatse, was bij aankomst van de verdachte al sprake van een chaotische en grimmige situatie, waarin de verdachte heeft geprobeerd het ambulancepersoneel tegen te houden zijn zusje te behandelen met westerse middelen en methoden, in het bijzonder het toedienen van een injectie. Vanuit de overtuiging dat zijn zusje een dergelijke prik niet zou overleven, in combinatie met het gevoel van totale onmacht dat de verdachte voelde toen hij door de ter plaatse aanwezige politie niet serieus werd genomen, heeft de verdachte alles op alles gezet om zich tegen de behandeling te verzetten. De verdediging heeft zich aldus op het standpunt gesteld dat kan worden gesproken van een van buiten komende druk waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden. Het hof overweegt als volgt. Voorop wordt gesteld dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij geldt dat de reactie op de genoemde drang dient te voldoen aan de regulerende beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, mede in aanmerking genomen de ernst van het strafbare feit. Het hof stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. Al voordat de verdachte van de situatie op de hoogte was gesteld, werden de medische hulpdiensten ingeschakeld. Toen de ambulancebroeders ter plaatse kwamen, troffen zij het zusje van de verdachte buiten westen aan. Zij was niet aanspreekbaar. Het meisje verkeerde in een dermate kritieke toestand, dat de hulpdiensten zich genoodzaakt zagen haar vanuit de op hen rustende zorgplicht de noodzakelijke medische hulp te verlenen. Vanaf het moment dat de verdachte ter plaatse kwam heeft hij – ook naar eigen zeggen – geprobeerd de toepassing van de westerse medische inzichten te verhinderen, waardoor het ambulancepersoneel hun zorgtaak niet ongehinderd kon uitvoeren. Ook heeft de verdachte zich zowel verbaal als fysiek verzet tegen de aanwezige politieagenten. Wat er ook zij van de cultureel specifieke omstandigheden waarvan in onderhavig geval sprake was, dit laat naar het oordeel van het hof onverlet dat het ambulancepersoneel de noodzakelijke zorg ongehinderd had moeten kunnen verlenen en de politieambtenaren ongehinderd hun publieke taak hadden moeten kunnen uitvoeren. Het hof onderkent dat de verdachte heeft gehandeld vanuit een diepgewortelde overtuiging, maar is alles afwegende van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en – met name – niet behoefde te bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen. Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid bij zijn aanhouding, wederrechtelijk een hulpverlener gedurende de uitoefening van zijn beroep in zijn vrijheid van beweging belemmeren en aan belediging van politieambtenaren in functie. Dat zijn ernstige en vervelende feiten. Zowel de politie als ambulancepersoneel verricht in onze samenleving een belangrijke publieke taak en moeten ongehinderd door gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen. Het hof rekent de verdachte dit aan. Anderzijds heeft het hof bij de strafbepaling rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, alsmede met het feit dat de gehele gebeurtenis ook voor de verdachte heftig is geweest en dat hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard van het voorval te hebben geleerd. In dat verband overweegt het hof dat de verdachte heeft verklaard een CoVa-training (Cognitieve Vaardigheden) met succes te hebben afgerond, waar hij heeft geleerd in het vervolg minder impulsief te handelen. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffende reclasseringsadvies, d.d. 26 januari 2024, en een reclasseringsadvies, d.d. 7 april 2025. Ten aanzien van het advies van de reclassering om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het reeds bestaande reclasseringscontact dat de verdachte heeft inmiddels wegens goede resultaten wordt afgebouwd. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur (ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde) en een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte (ter zake van het onder 2 tenlastegelegde) een passende en geboden reactie vormen. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Vordering tot schadevergoeding [politieagent] In het onderhavige strafproces heeft [politieagent] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 256,-. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat ontslag van alle rechtsvervolging is bepleit, zodat de vordering moet worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof overweegt dat op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het hof stelt op basis van het dossier en de gegeven onderbouwing door de benadeelde partij vast dat sprake is van lichamelijk letsel en belediging op grond waarvan de benadeelde zich in zijn eer en goede naam voelde aangetast. De grond voor immateriële schadevergoeding is daarmee gegeven. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt alsmede de aard van het letsel en de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.