Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-04-13
ECLI:NL:GHDHA:2026:571
Rolnummer: 22-003508-25 Parketnummer: 10-000788-25 Datum uitspraak: 13 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, adres: [adres] , thans uit andere hoofde gedetineerd in de P.I. Krimpen aan den IJssel Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 30 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto met [kentekennummer] ), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nieuwe Binnenweg en Crooswijksestraat, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - Een voertuig in te halen dat was gestopt om voorrang te verlenen aan een voetganger op een voetgangersoversteekplaats en/of; - weg te rijden nadat door de politie een stopteken middels het lichttransparant en zwaailichten is afgegeven en/of; - binnen de bebouwde kom met een snelheid van meer dan 80km/h te rijden; door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en daarnaast omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 30 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto met [kentekennummer] ), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nieuwe Binnenweg en Crooswijksestraat , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - een voertuig in te halen dat was gestopt om voorrang te verlenen aan een voetganger op een voetgangersoversteekplaats en /of ; - weg te rijden nadat door de politie een stopteken middels het lichttransparant en zwaailichten is afgegeven en /of ; - binnen de bebouwde kom met een snelheid van meer dan 80km/h te rijden; door welke verkeersgedraging ( en ) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander ( en ) te duchten was . Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW door op een drukke straat in de stad ver boven de toegestane snelheid te rijden, een stopteken van de politie te negeren en rakelings langs een voetganger te rijden die zich op een oversteekplaats bevond. De verdachte heeft zich hierdoor onverantwoordelijk in het verkeer gedragen en onaanvaardbare risico’s genomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich in volstrekt onvoldoende mate rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. De verdachte heeft hiermee niet alleen zijn eigen veiligheid, maar ook de veiligheid van andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht. Het hof rekent de verdachte dit zeer aan. Het hof weegt bij de strafbepaling mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen en spijt heeft betuigd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij een cursus bij het CBR heeft afgerond, waarvan hij zegt te hebben geleerd zich voortaan in het verkeer rustiger te gedragen en zich aan de verkeersregels te houden. Voorts houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft een eigen bedrijf, waarbij hij samen met zijn vader en broer glasvezelkabels aanlegt. De verdachte is de enige van hen die als kraanmachinist kan werken en speelt daarmee een onvervangbare rol binnen het bedrijf. Ter uitvoering van zijn werk heeft de verdachte een rijbewijs nodig. Het hof heeft verder acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis .